SILVOLDE IN OORLOGSTIJD  1940 - 1945

Dagboeknotities en latere herinneringen

We achten het van het grootste belang dat de verhalen van de Tweede Wereldoorlog bewaard blijven en doorverteld blijven worden. Te midden van het immens grote verhaal van WO II vertegenwoordigt dat van Silvolde weliswaar maar een klein deeltje, maar toch blijft ook dat het herinneren meer dan waard.
En gelukkig zijn we in de loop der jaren via diverse kanalen in het bezit gekomen van ruim 30 dagboeken of nadien genoteerde herinneringen betreffende de bezetting en bevrijding van Silvolde en omstreken. het meest betrouwbaar zijn natuurlijk de indertijd genoteerde dagboeknotities, maar ook de later opgeschreven verhalen vormen volgens ons een welkome aanvulling op eerstgenoemde.
Een vrome wens onzerzijds was het geheel in boekvorm uit te geven, maar omdat we de financiële consequenties hiervan niet aandurfden hebben we er voor gekozen het op onze website te plaatsen. We denken dat we daarmee evenwel een nuttige bijdrage aan een verheven doel verlenen.
Met de kennis van nu konden we het in enkele gevallen moeilijk eens zijn met een enkele zin of woord van onze scribenten; men zie onze aantekening ter plekke.

Silvolde, januari 2020
Bestuur Old Sillevold



Index

1. Een Achterhoekse jongen in de Duitse tijd
door Bernard Dorrestijn

2. Silvolde aan een ramp ontsnapt 13-06-1943 door Maarten Koudijs

3. Oorlogsherinneringen Veldstraat-Silvolde  door  Anny Raben-Böhmer

4. Hulp aan Joodse inwoners door Ben Vriezen


5. Een Achterhoekse Kerstmis in de laatste Oorlogswinter
door Harry Kolks

6. Gerrit Kolks omgekomen bij het bombardement op Doetinchem
  door Harry Kolks

7. Februari-maart 1945: Albers, Gries en Breukelaar opgesloten in de Kruisberg te Doetinchem  door Bernard Dorrestijn en Alie Tuenter-Stoltenborg

8. Een en ander over de routes die onze bevrijders op 30 en 31 maart en 1 april 1945 volgden  door Bernard Dorrestijn

9. Oorlogsherinneringen van de familie Jansen
door Ben Jansen

10. Oorlogsverslag Gereformeerde Kerk Bontebrug
  door J.R. Westerveld

11. Oorlogsherinneringen Nieuwdorp/Bontebrug-Silvolde
  door Ben Vriezen

12. Oorlogsverhaal
door Willy Jansen

13. Oorlogsverhaal door Gerda Scholl-Jansen

14. Oorlogsverhaal
door Jan Scholl

15. Oorlogsverhaal
door Bob Erdsieck

16. Oorlogsverhaal
door Co Jansen


17. Dagboekaantekeningen 26 maart tot 1 april 1945  door  Jan Barink

18. Oorlogsherinneringen Kroezenhoek-Silvolde  door Theo Steverink van Nelles

19. Dagboek Silvolde 1944-1945
door G.Th.H. Harmelink

20. Oorlogsverhaal
door Jan van Mierlo

21. Oorlogsverhaal door Bernard Koerntjes

22. Dagboeknotities oorlogsjaren 1941 en 1945
  door B.F.M. Oostendorp

23. Oorlogsherinneringen uit Silvolde door H.G.A. Starink

24. Een Silvolds dagboek over het laatste oorlogsjaar
door Henri de Grood


25. Herinneringen aan de oorlog op de boerderij de Grote Pothof aan de Kapelweg
door Wim Theunissen


26. Kleindochter uit Canada bezocht graf slachtoffer Kamp Rees door Bernard Dorrestijn

27. Drama Rees 1944-1945
door Theo Koolenbrander

28. De gemeente Wisch in bezettingstijd 1940-1945
door Leo E. Bruil Traanboer

29. Burgemeester in bezettingstijd door J.J.G. Boot

30. Luchtbeschermingsdienst Gemeente Wisch

31. Bevrijdingslied  door D. van Daalen

32. Voor hen die vielen,  Oorlogsmonument  

 

==================================================================

De Verhalen…..


1. Een Achterhoekse jongen in de Duitse tijd door Bernard Dorrestijn


2. Silvolde aan een ramp ontsnapt 13-06-1943
door Maarten Koudijs
Op een vroege zaterdagmorgen in juni 2012 was ik met mijn metaaldetector op een gebruikelijke zoektocht, dit keer langs de Oude IJssel in de omgeving van OER-ULFT II. Toen ik op een bepaalde plek signaal op signaal kreeg was m’n interesse gewekt. Engelse munten, ontplofte munitie, een accu, te veel om op te noemen.
Wat was hier gebeurd?
Niet wetende hoezeer deze vondsten mijn leven zouden gaan beïnvloeden ging ik op zoektocht naar de herkomst van deze spullen. Door rond te vragen in Silvolde kwam ik er snel achter dat daar bij het Melkvonder in de oorlog een vliegtuig gecrasht was.

Henk Bruggink, destijds wonende aan het lage gedeelte van de Boterweg, vertelde me:
‘Mijn ouders, mijn zus en ik woonden aan de Boterweg 12 te Silvolde (vroeger B281, Silvolde). Natuurlijk was er vaak luchtalarm in die tijd en dan moesten we halsoverkop de kelder in. Ik weet niet meer of we toen al in onze eigen kelder konden schuilen, ik denk wel dat de kelder toen al was goedgekeurd. Op 12 juni 1943 was er in elk geval geen luchtalarm, want we lagen allemaal rustig te slapen.
We werden wakker van een onheilspellend, gierend geluid, vlak boven ons. We schrokken enorm, maar waren te perplex om meteen te reageren. Meteen uit bed, maar ja toen was het al voorbij natuurlijk.
’s Nachts werd niet echt duidelijk wat er was gebeurd, maar de andere morgen hoorden we wat er was voorgevallen. Een brandend vliegtuig was op ongeveer 15 meter hoogte over ons huis gevlogen, had bij Schreur op de Bult de top van een kastanjeboom geraakt, en was toen nog net over de huizen van Ter Steeg en Van Balveren aan de Ulftseweg (deze liggen lager) gevlogen.
Het toestel verloor snel hoogte en stortte voor de Oude IJssel op de bult voor het Melkvonder neer. In mijn herinnering was die bult een tamelijk kale, weinig begroeide bult van opgespoten zand.

’s Morgens is mijn vader met mij op de fiets naar het neergestorte vliegtuig gegaan. Er waren alleen wat uitgebrande resten van over. De slachtoffers waren natuurlijk allang afgevoerd. Ik vond het als kleine jongen een verschrikkelijk gezicht. Toch drong het wel degelijk tot mij door, dat er enkele mensen bij waren omgekomen.
De volgende dag hoorden we dat het geschreeuw van de bemanning, die kennelijk niet uit het wrak konden komen, tot bij Van Balveren te horen was geweest. Te bedenken dat deze jonge mensen levend verbrand zijn is vreselijk. Het is altijd in mijn herinnering gebleven, evenals dat uitgebrande vliegtuigwrak.
Nog altijd als ik hieraan denk, hoor ik het gebrom van de overvliegende bommenwerpers en ook het gegier van de Jabo’s, jachtbommenwerpers. Soms hoor ik tegenwoordig nog weleens zo’n brommend burgervliegtuig overvliegen (dus geen straalvliegtuig) en komt die associatie weer boven. Als ik dan slaap, word ik er wakker van, 73 jaar later!
Tot zover mijn herinnering aan het neerstortende brandende vliegtuig’.

Jan Belterman, wonende aan het Kerkenstraatje, vertelde me:
‘Omdat er op 13 juni 1943 in de nacht al enige tijd luchtalarm gegeven was, waren wij al opgestaan en gekleed. We gingen ook buiten kijken en zochten het luchtruim af. Omstreeks 02.00 uur kwam er opeens ongewoon laag een groot vliegtuig over met veel motorgeronk dat een rondje ging vliegen in de buurt van het dorp Silvolde. Het toestel bleek te branden. Vlak daarop konden wij het neer zien storten in de richting van Oer bij de IJssel. Mijn broer Ben en ik renden in het donker naar het eind van de straat en sprongen daar over een plusminus 1 meter brede sloot. Daarna moesten wij dwars door de weilanden en in het donker over sloten richting IJssel, waar het al brandende vliegtuig lag.
Het was een erg verwarrende situatie van mensen die niet wisten wat te doen. Het toestel was in tweeën gebroken en er liepen een paar piloten buiten die er kennelijk al uitgekomen waren. Er kwamen van alle kanten mensen aangelopen. Ook waren er twee mannen met blijkbaar in de haast aangeschoten halve Duitse uniformen. Zij wilden de piloten meenemen, maar ik duidde de piloten dit niet te doen. Eigenlijk wilde ik ze door de donkere weilanden mee naar huis nemen om dan verder te kunnen vluchten. Maar er waren al te veel mensen, die ons gezien hadden. Het risico was dus te groot. Inmiddels was ook Chiel Kunst uit Silvolde, een schoolvriend van ons, aangekomen. Het was in het donker niet te zien of er al medische hulp was aangekomen. Met ons drieën besloten wij een der piloten over de verharde IJsselweg naar de dokter in Silvolde te brengen. Er was al veel munitie uit het toestel ontploft en wij wisten ook niet of er ook nog bommen in waren. We konden er dus niet te dichtbij komen.
Maar er moest iets gebeuren, die mensen moesten geholpen worden. De piloot liep tussen ons in. Hij deed zijn polshorloge af en gaf dat aan Chiel Kunst. Hij zal gedacht hebben dat het horloge anders door de Duitsers geroofd zou worden als hij in gevangenschap kwam. Chiel stak het horloge in zijn zak.
De wandeling naar Silvolde was ongeveer 500 meter. Toen wij zo’n 50 meter gelopen hadden, hoorden wij vanuit het toestel driemaal heel luid schreeuwen ‘Roger, Roger, Roger’. Wij konden niet terug maar moesten verder.
In Silvolde hebben wij de piloot bij dokter Ris in de wachtkamer gebracht. Daarna hebben wij nog aan de voordeur met mevrouw Ris gesproken, die dacht dat een der piloten, die een grote hoofd- en oogwond had dit niet zou overleven.
Wat er van het horloge terecht gekomen is, weten mijn broer en ik niet. Chiel Kunst is al 30 jaar geleden overleden.
Zijn nabestaanden kunnen zich er niets van herinneren. Wat er van de andere bemanningsleden uit het toestel geworden is, weten wij ook niet. Er werd toen weinig of niets bekend gemaakt en het waren zeer roerige tijden. Bovendien moest ik dezelfde dag weer terug naar mijn kosthuis in Hengelo-Oost waar maandag mijn school weer begon. Natuurlijk hebben wij er nog veel aan teruggedacht. Het was in die donkere nacht een angstig gebeuren met toch wel een fatale afloop’.                        

In ‘t boekje Flonkergood van 2008 staat een verhaaltje van een zekere Geja (G.J. Brouwer) getiteld Oprumen dat ook over de crash bij het Melkvonder handelt; de betreffende passage:
‘Een Engelse munt uut 1917; een penny was e weerd. Koning George V steet d’r op afgebeeld; niks biezunders eigenlijk, maor veur Derk wel! ’t Gekke was dat e zich neet precies kon herinneren um welk jaor ’t ging ondanks de geweldige indruk dee ’t op um gemaakt had. Hi-j dach dat ’t de zaoterdag veur Paosen 1942 of ’43 was gewes. In die tied kwammen met regelmaot de geallieerde bommenwerpers aover ’t darp op weg naor Duutsland. Eerst heuren i-j in de wiedte een zacht gebrom. Geleidelijk wier dat geluud sterker.
’t Luchtalarm ging af. Zoeklichten flitsten an. Luchtafweergeschut begon te knallen. Gerommel van ontploffingen in de wiedte. Lichtkogels verlichtten de loch. Ieder-ene was wakker en ging uut bedde, want i-j wissen nooit wat kon gebeuren. Degenen die nog buten waren, stonnen bi-j mekare nog wat nao te kletsen. De zoeklichten waren al uut. ’n Duutsen nachtjager kwam nog un keer aover. Te herkennen an ’t pruttelend geluud van de motor.

Dan in-ens achter ’t huus ’t zwaore gebrom van un laegvliegend vliegtuug. Allemaol kiekt ze in de richting van ’t geluud. De donkere schaduw van un vliegtuug stik af tegen de donkere loch. ’t Vlug met de straote met achter de huze langs en stik dan de weg aover richting de uterwaarden van den Olden Iessel. Probeert daor un noodlanding te maken, zoas later bliekt. Dat mislukt. De Lancaster bommenwerper kump tot stilstand in un groten hoop zand, pal veur ’t rivierken. De machine vlug met-ene in brand. Ieder-ene rent deur de weilanden richting ’t brandende vliegtuug, messchien is d’r nog wat te redden. Maor d’r is gin redden meer an. Munitie begint te ontploffen. De mensen blieft staon. Messchien zitten d’r nog bommen in. Dan; baoven ’t geluud van de loeiende vlammen en ontploffende munitie ’n hoog, krijsend geluud ……….
Twee piloten, dee opgeslotten in hun cockpit, neet konnen ontkommen an  de vlammen, repen in doodsangst um hun moder.
Iedereen steet as an de grond genaegeld. Trillend. Machteloos.
 ’n Goeie wekke later hadden de Duutsers ’t wrak weggehaald. Toen kon i-j op de plekke kommen waor ’t wrak gelaegen had. Met ’n kammeraod was Derk gaon kieken. Ze hadden in ’t zand gegraven tussen wat losse resten van ’t wrak. Daor vonnen ze un geblakerde foto van ’n meisken, ’n horloge met inscriptie en un indentiteitsplaatje. En Derk von den munt! De andere stukken bunt nao d’n oorlog opgestuurd naor Engeland.
Alleen den munt had hie gehollen. As herinnering an den nacht’.

Uit het verslag van het proces-verbaal door A.J. Wiendels, wachtmeester der marechaussee te Ulft:
‘Omstreeks halfdrie viel aan de overzijde van de Oude IJssel achter de St. Antonius te Ulft een vliegtuig neer. Het vliegtuig bleek een viermotorig Engels toestel te zijn van het type Halifax. In dit vliegtuig bevond zich veel munitie dat ontplofte omdat het toestel in brand stond. Terwijl de kogels in het rond vlogen, kon men boven dit geluid het angstige geschreeuw van enkele nog in het wrak aanwezige vliegers horen.
Bombardementsvluchten 12-13 juni 1943
Hitler-Duitsland moest steen voor steen worden afgebroken!
Net terug van een nachtelijke aanval op Düsseldorf op 11 juni, moest de bemanning van de Halifax HR 724 NP-W zich al weer klaarmaken voor een bombardementsvlucht op Bochum en het Ruhrgebied. De Halifax HR 724 NP-W behoorde toe aan Bomber Commando No.158, Squadron te Lissett, een klein vliegveld aan de oostkust van Engeland.
In de avond van 12 juni 1943 stegen van verschillende Engelse vliegvelden in totaal 503 vliegtuigen op voor een bombardementsvlucht op Bochum en het Ruhrgebied. De vloot-armada bestond uit 323 Lancasters, 167 Halifaxes en 11 Musquitos.
In Bochum en het Ruhrgebied was niet minder dan 30 procent van de Duitse oorlogindustrie gevestigd, o.a. staal, ijzer en steenkool.
In eerdere aanvallen op Bochum waren daar al meer dan 700 gebouwen verwoest.
De Handley Page Halifax was een viermotorige bommenwerper, waarvan er tijdens de WO II ongeveer 610 zijn gebouwd en door Britse, Franse, Poolse Canadese, Australische en Nieuw-Zeelandse squadrons zijn ingezet. In Groot-Brittannïe werden ze gevlogen door de Bomber Command en de Coastal Command.
Het toestel van het 9e squadron was op 12 juni 22.42 uur opgestegen van de RAF- vliegbasis Barndney in het graafschap Lincolnshire naar Lissett, Yorksire. Bij de crew om 23.33 uur vanaf Lissett, Yorkshire vertrokken, bevond zich piloot Basil Christopher Wordswotth met de Halfax bommenwerper HR 724 N-W.
Bij het naderen van Bochum en het Ruhrgebied bleek de hele streek onder een dik wolkendek te liggen, maar gelukkig beschikten de Halifaxes en de Mosquitos over het Oboe begeleidings- en navigatiesysteem, waarmee de positie en het doel bepaald konden worden.

Na het bombardement op het centrum van Bochum en het Ruhrgebied keerde de Halifax HR 724 NP-W weer terug naar Engeland. Maar nu werd het vliegtuig boven Duits gebied in brand geschoten door de nachtjager majoor Werner Streib, commandant van Gruppe 1 van het Nachtjagd-geschwader 1 te Venlo.
Eén motor van de Halifax vloog in brand; het toestel verloor hoogte. De Halifax HR 724 NP-W zond om 02.20 uur een oproep om hulp uit dat werd ontvangen door de zendmast bij Hull aan de Engelse oostkust.
Die nacht gingen 14 Lancasters en 10 Halifaxes verloren, waaronder de HR 724 NP-W.

De bemanning van de Halifax HR 724 HR-W bestond uit:
1.
Flight Engineer – Roger Victor Pallantgered
2. Wireless Operator - Hugh Telfer Wooldridge - omgekomen
3. Pilot Service – Basil Christopher Wordsworhtgered
4. Airbomber – Edward Thurlow – omgekomen
5. Navigator – Frank Oliver – omgekomen
6. Airgunner – Reginald John Cook – omgekomen
7. Reargunner – Edwin Ronal Mc Cunnell – gered

De vraag voor de bemanning was nu of men Engeland nog kon bereiken, of zich moest instellen op een noodlanding? Men koos voor een noodlanding. De flight engineer Roger Victor Pallant en de piloot Basil Christopher Wordsworth concentreerden zich op de landing; Edward Thurlow, Frank Oliver en Reginald John Cook plaatsten zich in de ‘veiligheidszone’ in het midden van het toestel.
Het vliegtuig crashte bij de Oude IJssel te Oer–Ulft II. Vier bemanningsleden hebben het toestel tijdig kunnen verlaten.
Drie mannen kwamen in het brandende vliegtuig om.
Tot in Oer, Ulft, Bontebrug en Silvolde klonken die nacht de angstkreten van de drie mannen in het brandende vliegtuig.      


Het levensverhaal van Edwin Ronald Mc Cunnell
Edwin Ronald Mc Cunnell had het toestel al boven Anholt verlaten.
Drie vliegeniers hebben de crash overleefd, vier van hen zijn smartelijk omgekomen.

Edwin Ronald Mc Cunnell heeft de crash overleefd. Middels een zoektocht op het internet kwam ik in contact met Julie Fisk, dochter van Edwin Ronald Mc Cunnell, die me het levensverhaal van haar vader vertelde.
Edwin Ronald Mc Cunnell verloor zijn ouders op jonge leeftijd; toen hij 9 jaar werd hij liefderijk opgenomen door zijn schoonzus.
In 1942 meldde hij zich aan als recruut bij de RAF.
Zijn dossier vermeldt dat hij 19 jaar was, 1.57 meter lang was en een borstkastomtrek van 75 cm had. Vanwege zijn ‘lengte’ was zijn bijnaam dan ook Tiddler.
Op bevel van piloot Basil Chrisipher Wordsworth moest hij die nacht het vliegtuig verlaten. Hij gooide de turret open en probeerde de turret (achterste geschutskoepel) te verlaten. Op hetzelfde moment kwam hij vast te zitten met zijn voet en slingerde hij als een lappenpop achter het vliegtuig aan.
Hij raakte bewusteloos… en het volgende dat hij zich herinnerde was dat hij met een gebroken been op een akker lag. Dit was bij Anholt, net over de grens bij Gendringen. Een jager vond hem en nam hem onder schot met zijn jachtgeweer. Hij werd naar het plaatselijke café De Pannebecker gebracht en kreeg er bier aangeboden. Hij werd gevangengenomen en overgebracht naar een gevangenis in Amsterdam, waar hij aan een verhoor werd ontworpen.
Vervolgens kwam hij in krijgsgevangenschap in het kamp Heyderkrug Stalag 6 en later in POW Camp 357, Stalag-Kopernikus.

Het eerste bij aankomst in zo’n kamp was een brief naar de familie schrijven, voor het geval van overlijden in gevangenschap. Hij richtte deze brief aan zijn schoonzus. Deze brief hoefde echter niet verzonden te worden; Edwin Ronal Mc Cunnell kwam na de oorlog behouden in Engeland terug. Dit wordt bevestigd in een brief van het Nederlandse Rode Kruis d.d. 9 juli 1946.
Edwin Ronald Mc Cunnell is in 1961 bij een tragisch fabrieksongeval om het leven gekomen

Het levensverhaal van Roger Victor Pallant
We hebben het verhaal van Roger Victor Pallant van Julie Fisk, die met de schoonzus van hem correspondeerde. Roger Victor Pallant:

‘We werden aangevallen door jagers, waarschijnlijk Messerschmitts 110, terwijl de kist toch al moeilijk te besturen was, als gevolg van AA-afweergeschut. Er was veel laaghangende mist en we dachten dat het zee was. We maakten ons klaar voor een landing op zee, toen we ons realiseerden dat het niet de zee was, maar mist. Te laat om het vliegtuig te verlaten, stortten we neer…
Het volgende wat ik me herinner is dat ik werd weggedragen naar een maisveld, waar ik vier dagen werd schuilgehouden. Ik had ernstige brandwonden aan mijn handen, maar een bejaarde Nederlandse man die ik mijn overlevingspakket had gegeven, hield me in leven met koppen soep. (w.s. Theodorus Engelbertus Weijers)
Na vier dagen waren mijn brandwonden zo ernstig dat ik werd overdragen aan de Nederlandse politie. Mijn conditie was zo slecht dat ik vervolgens werd overgedragen aan de Duitse medische hulp. Bij vliegbasis Deelen aangekomen ontving ik een zeer goede behandeling van de Duitse soldaten. Na mijn ontslag werd ik naar Amsterdam gestuurd en elf lange en verschrikkelijke dagen ondervraagd.
Ik belandde tenslotte als krijgsgevangene in Dulag Luft. Mijn eerste POW Camp was Stalag 321, net ten oosten van de stad Fallingbostel in Nedersaksen. In september 1944 werd ik verplaatst naar Stalag 357 bij Thorn in Polen. Dit nieuwe kamp werd voornamelijk gebruikt om Britse en Commonwealth krijgsgevangenen te huisvesten. In november 1944 kwamen bij dit kamp vele Britse parachutisten aan die bij de Slag om Arnhem gevangen waren genomen. Tenslotte kwam ik terecht bij Stalag Lift Stalag IV.
In januari 1945 rukten de Russische legers op naar het westen en de Pow Campen moesten worden geëvacueerd. Tussen januari en april moesten meer dan 80.000 krijgsgevangenen vanuit Polen, Tsjecho-Slowakije en Duitsland in extreme winterse omstandigheden naar het westen marcheren. Dit resulteerde in vreselijke ontberingen, ziektes en duizenden doden.
Deze tragedie staat bekend als ‘De Lange Mars’of ‘The Great March West’. Tenslotte werd ik in Denemarken door de Amerikanen bevrijd. Na enkele weken kwam ik weer thuis in het plaatsje Leighton Buzzard in het Engelse graafschap Bedfordshire’.
Dit laatste wordt in een brief d.d. 9 juli 1946 van het Nederlandse Rode Kruis bevestigd.
We hebben helaas geen foto van Roger Victor Pallant.

Het levensverhaal van Basil Christopher Wordsworth
Het is aannemelijk dat Basil Christopher Wordsworth door Jan en Ben Belterman en Chiel Kunst naar de praktijkruimte van dokter Ris aan de Ulftseweg is gebracht. Het kan ook zijn dat de dokter de gewonde eerst bij Van Balveren heeft bekeken en toen heeft besloten hem bij hem thuis verder te verzorgen.

Het eigen verslag van Basil Christopher Wordsworth:
‘Hetgeen ik mij herinner is dat ik door het graan strompelde met de hulp van een forsgebouwde man die mijn pijnlijke hoofd beneden het graan verborgen hield.
Ik verloor opnieuw het bewustzijn.
Toen ik weer bijkwam lag ik op een tafel, een hoofdwond was gehecht, mijn laarzen waren uit en een meisje verwarmde mijn voeten met een elektrisch apparaat. Een dokter in een witte jas onderzocht me, terwijl twee Duitsers met geweren naast de tafel stonden. Een Nederlandse politieagent vertelde me dat hij me had getackeld en me had vastgehouden, omdat de Duitsers me anders hadden neergeschoten.
Het bleek dat we tegen een dijk gebotst waren en dat de achterkant van het vliegtuig omhoog was gekomen. Hierdoor werd ik gelanceerd door de plexi-ramen en verwondde ik mijn hoofd, en verloor ik mijn bewustzijn toen ik de grond raakte.
Ik hoorde de dokter en de agent praten in het Nederlands. Omdat Nederlands op Afrikaans lijkt, vroeg ik in die taal wat er van mijn bemanningsleden terecht was gekomen. De dokter vertelde me dat er maar drie overlevenden waren en dat één van de drie was overleden aan ernstige brandwonden. Ik was compleet radeloos. (*)
Ik werd gevangen genomen en naar de Marechausseekazerne te Ulft overgebracht.
En vervolgens kwam ik in een gevangenis te Amsterdam terecht, waar ik streng verhoord werd. Volgens het Verdrag van Genève hoeven gevangenen slechts hun naam, rang en nummer te onthullen. Gefrustreerd probeerden de Duitsers meer informatie van me los te krijgen, hetgeen natuurlijk niet lukte! Tijdens een dergelijk verhoor brachten ze plotseling Edwin de kamer in en zeiden ze: ‘Hah, nu weet je het nietwaar?’ Edwin gaf me heel voorzichtig een knipoog, en ondanks mijn grote vreugde dat ik hem levend zag …, slaagde ik erin om mijn gezicht in een onwetende plooi te houden en antwoordde ik dat ik deze man nog nooit had gezien!
Ik bleef samen met Edwin Ronald Mc Cunnell in gevangenschap, eerst in Kamp Heyderkrug Stalag Luft 6 en later in POW Camp 357, Stalag-Kopernikus’.

(*) Men wist niets van de overlevende Edwin Ronald Cunnell.
Uit een brief van het Nederlandse Rode Kruis 9 juli 1946 blijkt dat Basil Christopher Wordsworth behouden is teruggekeerd. 

De overlevende Reginald John Cook, maar toch nog op
13 juni 1943 overleden.
Nico van Balveren vertelde me:
‘Mijn ouders Marinus Johannes van Balveren en Hendrika Kerkhof hadden een fietsenzaak aan de Ulftseweg op de hoek met de afslag Over de IJssel.
Die nacht van 13 juni 1943 schrokken ze opeens wakker. Vader Marinus riep naar moeder dat ze op grond moest gaan liggen, met hun kind Nico die net drie jaar oud was.
De Halifax kwam nog geen meter hoog over ons huis met een oorverdovend en gierend gebrul!. En enkele seconden later crashte ze net vóór de Oude IJssel, naast het Melkvonder bij de Antoniuskerk van Oer, tegen een opgebaggerde hoop klei en zand.
Vader Van Balveren was bij de brandweer van Silvolde en moest naar de crashsite. Zijn fietsenwinkel en werkplaats zouden als eerste opvang voor eventuele gewonden fungeren.

Al snel werd een zwaargewonde piloot de werkplaats binnen gebracht en op de werkbank neergelegd. Het is me niet bekend door wie Reginald John Cook bij mijn ouders is gebracht. Al gauw daarop kwam ook dokter J. Ris binnen om de eerste hulp te verlenen. Ook pater Jacobus Wilhelmus ten Have was al aangekomen om de zwaargewonde Reginald John Cook bij te staan en te bedienen. Voor Reginald John Cook was er geen hoop op genezing meer; hij bleef achter met pater Ten Have, wachtend op vervoer naar Doetinchem’.
Pater Jacobus Wilhelmus ten Have werd op 16 oktober 1895 te Silvolde geboren. Zijn ouders hadden er een fietsenzaak aan het Marktplein te Silvolde. Na de lagere school ging Jacobus naar de missionarisopleiding te Cadier en Keer, waar hij van 1911 tot 1917 zijn middelbare studie deed. Daarna ging hij voor de theologiestudie naar Lyon. Op 9 juli 1922 werd hij aldaar door Mgr. Bourchany tot priester gewijd.
Pater Jacobus Wilhelmus ten Have Provinciaal Overste S.M.A. was in deze tijd van juni 1943 te Silvolde op familiebezoek.

In die fatale nacht van 12 op 13 juni schuilde de familie Ten Have in de bierkelder onder het café van Te Dorsthorst, bereikbaar via het bekende luik aan de kant van de Ulftseweg.
Vanwege het luchtalarm ging pater Jacobus erop uit om op de rampplek hulp te bieden. Omdat hij het Engels machtig was werd hem al snel gevraagd om de zwaargewonde piloot bij te staan, hetgeen hij dan ook naar zijn beste kunnen volbracht, o.a. door hem te bedienen. Voor Mid Upper Gunner Reginald John Cook was er geen hoop op genezing meer; pater ten Have bleef bij hem in afwachting van vervoer naar Doetinchem, vanwaar hij nog diezelfde dag naar Amsterdam werd overgebracht en ook nog diezelfde dag overleed.


Pater Jacobus ten Have schreef in 1945/1946 aan de familie Cook in Engeland.
Beste heer,
Uw vriendelijke brief van 22 mei is naar mij doorgestuurd op het adres waar ik tot morgen verblijf. Op de foto die u heeft bijgesloten herken ik Serg. Cook niet helemaal, omdat hij zwaargewond was aan zijn oog, door het ongeluk dat gebeurde tijdens die nacht.
Zaterdagnacht 13 juni om 02.35 uur maakte een Engels vliegtuig een noodlanding nabij Silvolde (Gelderland) en is daarna in brand gevlogen. Drie van de RAF-mannen waren overleden door de brand en de vier andere inzittenden hebben kunnen vluchten.
Beide ogen en handen van Serg. Cook waren gewond en hij klaagde over pijn in de rug. Ik heb hem onder omstandigheden zo goed mogelijk voorbereid op een gelukkige dood, gezien de staat van verwondingen. Na een glas gin en thee, hebben we hem naar het ziekenhuis in Doetinchem gebracht. Voordat ik hem verliet heb ik hem beloofd zijn vrouw te informeren over wat er gebeurd was. Dit heb ik gedaan toen het zuiden van Nederland was bevrijd.
Wanneer ik terug ben in Holland ga ik mijn uiterste best doen om alle informatie te verzamelen waar u om vraagt. Ik ben maar al te blij om u te helpen op elke mogelijke manier.
Met de beste wensen en priesterlijke zegen,
geloof mij te zijn, beste heer,
Hoogachtend,
Pater Jacobus ten Have’.

Van het Rode Kruis ontving pater Ten Have een brief met de volgende inhoud:
‘Dezer dagen ontvingen wij van het Nederlandsche Rode kruis het bericht dat Sergeant Cook op 23 juni 1943 is begraven, dus tien dagen nadat U hem hulp had verleend.
Reginald John Cook is de echtgenoot van Katleen Cook en vader van zoontje Douglas Cook (geboren 20 april 1942). Reginald Roland Cook is begraven op De Nieuwe Ooster Begraafplaats te Amsterdam, te midden van ongeveer 300 gesneuvelde geallieerde militairen’.
Reginald John Cook is in een gemeenschappelijk graf met Sgt. Norman Blanchard begraven.
Sgt. Norman Blanchard crashte op 23 juni 1943 met de Halifax
DG 405 met zijn bemanning 7 km. ten westen van Urk in het IJsselmeer (oude Zuiderzee).

De teraardebestelling van de omgekomen bemanningsleden Frank Oliver, Edward Thurlow en Hugh Telfer Wooldridge op de R.K. Begraafplaats te Gendringen.  
Uit het rapport van 13 juni 1943 van A.J. Wiendels, hoofdwachtmeester der Marechaussee te Ulft: (eerste alinea staat ook op blz.7)
‘Omstreeks halfdrie viel aan de overzijde van de Oude IJssel achter de St. Antonius te Ulft een vliegtuig neer. Het vliegtuig bleek een viermotorig Engels toestel te zijn van het type Halifax. In dit vliegtuig bevond zich veel munitie dat ontplofte omdat het toestel in brand stond. Terwijl de kogels in het rond vlogen, kon men boven dit geluid het angstige geschreeuw van enkele nog in het wrak aanwezige vliegers horen.
Omstreeks 9 uur hedenmorgen is de wacht bij het vliegtuig overgenomen door Duitse militairen. Volgens een verklaring van een Duitse officier zouden er drie lijken onder de resten van het vliegtuig liggen.
Deze laatste gegevens zijn doorgegeven aan de Rijksinspectie aan den heer Pol, officier te Arnhem. Deze laatste deelde mede dat dit bericht niet behoefde worden gemeld aan de Wehrmacht commandeur, aangezien de bewaking in handen van Duitse militairen was.
In de loop van de middag werd door den heer Burgemeester van Gendringen medegedeeld dat de drie lijken waren vrijgegeven en dat de gemeente voor de begrafenis moest zorgen.
In de namiddag zijn de lijken overgebracht van Ulft naar de lijkenkamer in Gendringen. Het tijdstip van de begrafenis, welke zal plaats vinden op het R.K. kerkhof te Gendringen, zal nog nader worden bepaald’.
De drie vliegeniers zijn opgebaard in de lijkenkamer van het Maria Magdelena Postel-klooster te Gendringen. Het is niet duidelijk of de begrafenis op 16 juni vandaaruit is geweest of vanuit de H. Martinuskerk te Gendringen. Pastoor Geubels heeft de teraardebestelling wel in het parochieboek genoteerd. De gemeente Gendringen heeft de begrafeniskosten gedragen: lijkkisten, begraafrechten.

Kerst 2017.
De drie graven van de Halifax-bemanning te Gendringen. Links symbolisch een lichtje en een kruisje voor
R.J. Cook.

Bezoek Julie Fisk en Chris Robbens aan Ulft, Gendringen en Silvolde, april 2015.
Op 1 april 2015 bracht ‘Keep them Rolling’ een bezoek aan de DRU, dus een mooie gelegenheid om Julie Fisk en haar man, en Chris Robbins met vriend uit te nodigen. Via internet was ik in 2012 al in contact gekomen met Julie Fisk. Zij is de dochter van Edward Ronald Mc Cunnell, de staartschutter van de Halifax.
Chris Robbins is een nicht van de omgekomen Edward Thurlow, de Airbomber van de Halifax. Tussen beide families is een hechte vriendschap onstaan.Van Julie Fisk mocht ik een kopie in ontvangst nemen van het 158 Squadron Memorial, als dank voor de inwoners van Silvolde en Ulft. Zie blz. 31.
We zijn een aantal dagen met de families op pad geweest en hebben de crashplaats en de graven te Gendringen bezocht. En we hebben hen natuurlijk ook thuis uitgenodigd en hen laten kennismaken met de Hollandse boerenkool, welke goed in de smaak viel.
Een tegenbezoek werd gepland en zou plaats vinden in mei 2016.

In maart 2016 ontvingen we een email van Douglas Cook, zoon van Reginald John Cook.
‘I am Douglas Cook and I’m the son of Sgt Reginald Cook of 158 Squadron. I understand from Julie Fisk that you have both worked so hard to track people down whose relatives were involved in the Halifax crash on 13th june 1943.

I was 14 months old when he died and my mother died when I was only 10 jears old and so I have very little knowledge of my father and what happened. However, I got in touch with the War Graves Commission in 1987 who informed me that my Father had been moved to the Eastern Cemetery in Amsterdam and subsequently we visited and found the grave.
Any information you have would be most welcome and my wife and I are resolved to visit Holland again which must include a visit to Ulft to meet and thank you both for all that you have done.
I look forward to hearing from you, Best Regards, Douglas Cook’.

Inmiddels hebben we veel email-contact gehad met Douglas Cook en ook met zijn dochter Amanda Wilkes. Zij schreef dat haar  vader zeer geëmotioneerd was bij het lezen van de brief van pater Jacobus Wilhelmus ten Have over de laatste momenten dat de pater bij zijn vader was, maar ook dat hij gerustgesteld was nu hij antwoord had op al zijn vragen.

 

Zomer 2016.
Bezoek Neil Crace, oomzegger van Frank Oliver.
Geheel los van het bovenstaande kreeg ik in de zomer van 2016 een telefoontje vanaf de camping ‘Het Zwaantje’ te Megchelen.
Neil Grace en zijn vrouw logeerden op de camping en wilden een bezoek brengen aan het graf van de oom van Neil Grace: Frank Oliver, Navigator van de Halifax.
We hebben hen de volgende dag een rondleiding door de gemeente gegeven en zijn met hen naar de crashsite en de begraafplaats geweest. Dit alles tot hun volle tevredenheid.

 

Mei 2016.
We krijgen een brief uit Engeland met het programma dat Chris Robbins met haar vriend en Julie Fisk met haar man hebben samengesteld voor ons bezoek.
Dear Maarten and Erna,
We are looking forward to your visit! Not long nou!
We have been looking into intersting places to visit during your visit, and would like your views please:
Sunday 15 may– arrive at Chris– Evening meal at Chris house.
Monday 16 may– after breakfast at Chris– 10.30 visit to the new Internationaal Bomber Command Centre in Lincoln– this is due to open in Juni but they have agreed to open up for us to visit on that morning!
They would also like to interview you Maarten about the crash site and your important work in finding the plane-would you mind that?
That afternoon we would go into Lincoln to see the historic city with Castle and Cathedral.
Eve meal at Chris with Julie and Geoff and Peter or in Lincoln.
Tuesday 17th-visit to East Kirkby former RAF Airfield– museum and Lancaster which will start up and run down the runway!
Afternoon visit to Battle of Britain Memorial Flight with Lancaster, Spitfire and Hurricane. Evening meal at Chris!.
Wednesday 18th– free Day, travel to Julie and Geoffs in Hull.
Thursday 19th– Visit to the Air Museum in Yorkshire.
Go inside the last HALIFAX!!!
Friday 20th– Free Day
We hope this looks like things you would like to do– is there anything else you would like us to arrange?
Looking forward to seeing you !

Chris and Julie xx

Bezoek Maarten Koudijs en Erna Obbink aan Engeland
van zondag 15 mei tot en met vrijdag 20 mei 2016.
Het was een enerverend bezoek.
Op maandag 16 mei werden we bij het Internationaal Bomber Command Centre in Lincoln verwacht om daar een interview van mij op te nemen over de vondsten die ik had gedaan van de Halifax. Deze opnames blijven voor altijd in het archief van het Bomber Command Centre. Uiteindelijk is het mij wel gelukt, maar mijn Engels was meer te vergelijken met een mengeling van Achterhoeks en Veluws dialect.

3. Oorlogsherinneringen Veldstraat-Silvolde  door  Anny Raben-Böhmer

Toen ik nog een kind was… woorden uit een lied van volkszanger Willie Albertie. Onder deze titel zou ik ook mijn herinneringen willen rangschikken. Ze zijn deels uit de verhalen van mijn ouders en mijn zus. Sommige gebeurtenissen kan ik me zelf ook nog herinneren. Het was een rampzalige en gevaarlijke tijd. De onderdrukking en het verdriet ging, grotendeels aan je voorbij. Vond het best fijn, dat je even niet naar school hoefde. Was in het laatste oorlogsjaar net begonnen op de lagere school. Maar juffrouw Van Santen kwam ons thuis bijspijkeren. Later toen we weer naar school konden, leerden we, hoe we op een snelle manier onder de bank konden komen bij luchtalarm.

In het laatste oorlogsjaar kregen wij twee soldaten ingekwartierd. Walter Hübner, kwam uit de buurt van Maagdenburg en Walter Nettwett, een Oostenrijker uit Graz.
Ze kwamen vanuit Rusland naar ons toe en legerden in de Openbare School. Ze moesten hier weer een beetje op verhaal komen na alle ontberingen in Rusland.
De tenen van die Walter Hübner waren helemaal bevroren. Hij was verpleger en hij verzorgde die tenen zelf. Hij had ook veel medicijnen, verband en pleisters in de kast. Wanneer je was gevallen op je knie, dan verzorgde hij je gehavende knie keurig.
Bij Bieleveldt, onze buren hadden ze ook inkwartiering. Daar was zo’n hoge piet, compleet met platte pet en pofbroek. Wij noemden hem de ‘spies’.

De gaarkeuken in de Openbare School voldeed vaak niet aan de wensen en de smaak van de soldaten. Ons moeder kookte dan wat meer, zodat de gasten ook een hapje mee konden eten. Ze waren daarvoor heel dankbaar.

Het wagenpark van de soldaten was destijds ondergebracht  in de fabriek De Lovink. We vonden het natuurlijk prachtig, dat we eens mee mochten rijden in zo’n jeep. Maar als we voorbij ons huis reden, moesten we ons bukken. Want vader en moeder  mochten ons dan niet zien.

Gezamenlijk met de fam. Buiting zaten we bij fam. Gries in de kelder. Er stond één groot bed. Over de hele breedte van het bed lagen alle kinderen. Mijn broer was nog  een baby;  die werd altijd in verschillende dekens gepakt.
Bij een granaatvuur had een granaat ook het huis van de fam. Buiting beschadigd terwijl we met zijn allen in de kelder zaten. Toen het weer wat veiliger was geworden, wilde vader Buiting gaan kijken naar de schade.
Mijn vader vertelde jaren later, dat hij bij de terugkomst aan buurman gevraagd had: ‘En buurman, hoe zut dat t’r bi-j ow uut’? Hij had geantwoord: ‘Niet zo best, het huudjen van Doortjen lig op de aerpels en de hele boel lig veur merakel.’ Mevrouw Buiting heette Doortje.

Het geluid van de Jabo’s kon ik precies onderscheiden en de grote lichtkogels zie ik nog aan de hemel staan. Vader haalde ons dan uit bed, want dit moesten we zeker zien.

Toen 19 maart, de feestdag van de H. Jozef, het kasteel De Schuylenburch gebombardeerd werd, waren de ingekwartierde Duitsers bij ons al weg. Maar van het mooie kasteel bleef niet veel over. Op de gracht van het kasteel gingen wij schaatsen en slieren (glijden). Veel plezier gehad en veel pret beleefd daar op die ijspiste.

Kan me ook nog goed herinneren, dat de Openbare School gebombardeerd werd. We waren aan het spelen op het schoolplein. Het was Palmpasen. Ik weet nu nog niet, wie die man is geweest, die mijn zus en mij plotseling bij de arm greep en commandeerde: ‘De kelder in’.

Die dag vond meester Siebelink de dood door een granaatscherf.

Toen alles weer een beetje rustig was geworden gingen wij kijken in de school. Overal lagen schriften, boeken en schoolbenodigheden. De kleurpotloden oefenden een magische aantrekkingskracht op me uit. Zocht dus een mooie verzameling uit. Maar bij thuiskomst moest ik van mijn ouders meteen alles terug brengen. Spullen van anderen. Basta!

De bevrijding heb ik toch wel van nabij beleefd. Die vrijdag, Goede Vrijdag 30 maart, kwamen de Engelsen met hun tanks vanuit de Kroezenhoek naar de Veldstraat (nu Prins Bernhardstraat).

Vlak voor onze winkeldeur en verderop stonden de tanks. Uit de tank, die pal voor de deur stond zie ik nog die Tommie omhoog komen. Hij lachte en liet ons het vredesteken zien. Hij vormde met zijn wijs- en middelvinger de letter V.

Van hem kregen we ook de eerste kwatta. Mijn zus ging alle tanks af. Overal waren lachende mensen en iedereen riep: Vrij, Vrij!!! 
In de namiddag zijn we nog weer even in de kelder geweest, want er werd vanuit de kerktoren door enkele Duitsers geschoten.
Vader heeft ons later verteld, dat een verdwaalde Duitser bij ons achter door de hof kwam met een granaat op de kruiwagen. Hij verdween over het land en door de hof van Bruur Heiming richting Terborg.


4. Hulp aan Joodse inwoners
door Ben Vriezen
De Hervormde diaconie en Lenchen en Paula Wolf

Aan de Silvoldseweg te Terborg, op de plek waar nu het Politiebureau staat, stond destijds de villa 'Veldzicht', met daarin twee of drie woningen. In de woning aan de Silvoldse kant woonde in de oorlogsjaren de familie Klarenbeek, met o.a. zoon Ton die op het Distributiebureau op het gemeentehuis te Varsseveld werkzaam was.

Op het Distributiebureau werden wekelijks aan minderdraagkrachtige gezinnen voor een gering bedrag enkele blikken gehakt en/of vlees beschikbaar gesteld, waarschijnlijk afkomstig van z.g.n. noodslachtingen. Bij de distributie waren o.a. de caritasverenigingen en de diaconieën ingeschakeld, derhalve ook de diaconie van hervormd Silvolde met o.a. mijn vader als diaken. Men mocht elke donderdag een lijstje indienen met de adressen en de gewenste vleeswaren. Die lijstjes kon men ook 's woensdags bij de familie Klarenbeek bezorgen, waarna de zoon des huizes deze de andere dag mee naar Varsseveld nam.

In de jaren '40-'41-'42 ging ik naar de Ambachtsschool te Doetinchem, hetgeen me elke morgen een fietstochtje naar Doetinchem bezorgde en 's avonds weer terug naar de Bontebrug. Mijn ouders maakten daar wel eens een dankbaar gebruik van door me op de heen- of terugweg een boodschap te laten doen. Zo moest ik elke woensdagmorgen het bestellijstje van de diaconie bij de familie Klarenbeek te Terborg afgeven. De vleeswaren voor de diaconie kwamen dan vrijdags in Silvolde aan, waarna de diakenen deze 's avonds in het 'Jeugdgebouw' (thans 'De Sprank') uitdeelden aan hen die daar voor in aanmerking kwamen.

Wat me tot dit schrijven brengt is het feit dat de diakenen het altijd zo organiseerden dat de Jodinnen moeder Lenchen en dochter Paula Wolf op de Bergstraat (thans: Heuvelstraat) ook wat van de vleeswaren meekregen. Er was immers geen Joodse organisatie die voor hen kon of mocht opkomen. En ze konden als Jodinnen ook niet op het lijstje van de Silvoldse diaconie gezet worden. Daarom regelden de diakenen het zo dat ze buiten het lijstje om toch elke vrijdagavond wat vleeswaren bij moeder en dochter Wolf achter de deur konden zetten.

Het was overigens heel bijzonder dat de bejaarde en ziekelijke mevrouw Wolf en haar dochter de hele oorlog in hun huisje op de Bergstraat hebben kunnen blijven wonen, terwijl al de andere gezinsleden hun leven in een concentratiekamp hebben gelaten. Dat moeder en dochter hier hebben kunnen blijven wonen is ongetwijfeld aan onze burgemeester J.J.G. Boot te danken geweest!

Maar dat wil nog niet zeggen dat het leven voor moeder en dochter probleemloos was. Gelukkig maar dat er die kleine daden van verzet waren. Het is gedurende oorlog altijd goed geheim gebleven; de bezetters en hun handlangers hebben er nooit achter gekeken!

                                                     


5. Een Achterhoekse Kerstmis in de laatste Oorlogswinter
door Harry Kolks

Nog proef ik de suiker-engeltjes en de witgespikte chocolade-kransjes

Kerstmis 1944 - het laatste jaar van oorlog en bezetting - ligt diep verscholen, echter wel onuit­wis­baar in mijn memorie opgeborgen. Zo rond de Adventstijd en tijdens de Kerstdagen is het weer aan de tijd, dat die herinnerin­gen levend worden. Allengs is het na precies 60 jaar ook de tijd, dat deze ingebrande historie-flitsen schriftelijk vast­gelegd worden.

In die oorlogs-herfst van 1944 begon het er voor de gewone mensen allemaal minder rooskleurig uit te zien, ook in de Achterhoek. Tot dat jaar hadden onze ouders in de bezettingsjaren en in die barre oorlogstijd voor ons allen redelijk weten te manoeuvreren. We waren kortom weinig  van het alledaagse tekort gekomen en zo er al echte zorgen waren, de kinderen hadden daar nauwelijks iets van gemerkt. Natuurlijk het was allemaal niet botertje tot de boom geweest, maar te klagen was er eigenlijk niet.

Maar nu kwam de echt verschrikkelijke oorlog dreigend naderbij. Na de mislukte landing van de Geallieerden bij Arnhem en de daarop volgende evacuatie van de Gelder­se hoofdstad en de omliggende plaatsen werden we in de Achter­hoek een soort speerpunt van Duitse militaire afgrende­ling; de 'Grosze Heimat' moest in wat vooruitge­schoven stellingen beschermd worden. Wat heette in dit verband eigenlijk een 'vooruitgeschoven stelling'? Een handvol kilometers verderop immers begon des Führers eigen grondgebied al. Het front werd angstig dicht­bij­ de grenzen van de tijd voor 1940 geschoven: de geallieerde eindafrekening met de vijand kwam onafwendbaar in zicht. 

Mijn geboortehuis in Silvolde was de helft van een dubbel huis; opa Lambert Kolks, de aannemer, had die - eerlijk gezegd - nogal grote behuizing in 1926 als huwe­lijks­ca­deau aan zijn oudste zoon Hendrik en zijn oudste dochter Riek mee op hun nieuwe levensweg gege­ven.

Een grote klip, zo zeiden wij - de kinderen van Hendrik Kolks - later. Aan het woonhuis vastge­klonken zat namelijk een enorm achterhuis, waaraan praktisch direct na het huwelijk in 1926 van mijn ouders - in het Brabantse Vessem gesloten - een nog grotere materiaal-schuur werd aangebouwd. Het werd de centrale opslag­plaats van al het materi­aal, dat bij een aannemersbe­drijf behoort. Mijn vader werd immers de oudste firmant.

Zijn zus, de oudste dochter van Lambert Kolks kreeg navenant ook zulke grote ruimtes meegeleverd, want daarin werd een garage geopend. Een van de eerste in dat stuk van de Achterhoek. Oom Toon had auto's met de nummers M 7 en M 43 (de letter M was destijds het kentekennummer voor Gelderland) in zijn bezit. Voorwaar duidelijke eerstelingen op de Gelderse landwe­gen, waarop in die dagen de kippen nog scharrelden en met een kneep in de zwart-rubbe­ren toeter fladderend of kake­lend naar de kant van de weg werden opgejaagd.

Aan die garage was een showroom (zeggen we nu) voor Fiat gebouwd plus een plek voor de gemeentelijke brand­weerwagen. Plus een in onze kinderogen hels hoge ijzeren toren, waarin de natte brandslangen opgetakeld werden om te drogen. Destijds een prachtig stuk spannend speelgoed, waar een carrera-baan van nu niet tegenop kan. En dat alles aan de 'Rijksstraatweg', die regel­recht naar Duitsland liep.

Een complex, dat wel duidelijk maakt, waarom na die Arnhemse septemberda­gen de Duitse 'Kommandantur' meteen een welgevallig oog op huis en schuren wierp. De garage met het aanwezige monteurs-materiaal werd 'beschl­agnahmt' en in gebruik genomen door een peloton soldaten-monteurs.

Een hoop manke en sleetse Duitse militaire vracht­wagens moesten daar weer aan de praat worden gebracht. Ik herinner me in elk geval, dat met name in het begin van de inkwartiering het rondom ons huis vaak leek op een auto-kerkhof. De soldaten van dit peloton sliepen in particuliere huizen rondom, sommigen waakten en sliepen in de garage. De Feldwebels en de officieren werden ingekwar­tierd bij mijn oom en bij ons. Daardoor waren we onze beperkte vrijheid helemaal kwijt. Dat bezettende volk namelijk liep - zeer tegen onze zin - in en uit ons huis op voor ons meestal zeer onwel­ge­vallige tijden. Onwelgeval­lig met name als de 'Engelse zender' - bedoeld was natuurlijk Radio Oranje - weer in de lucht was.  Ons 'kleinste kamertje' beneden had een geraffineerd gefabriekt dubbel zoldertje gekregen. Zulk een stukje precisie kon men rustig aan mijn vader overla­ten. Daar stond veilig weggeborgen onze echte eigen vooroorlogse radio. Tamelijk nieuw nog toen de Duitsers binnentrokken 

Geladen op een handkarre­tje en zeer opzich­tig had mijn pa in de eerste dagen van de bezetting het oude toestel  naar Duits bevel midden in Silvolde ingeleverd.

Mijn vader stond nieuwsgierig en dus graag midden in de nacht op om naar de Engelse zender te luisteren. Dan was er de minste storing te verwachten, maar in die laatste oorlogswinter met die Duitse soldaten in huis ging dat niet meer. Dus stonden wij, de kinderen, soms overdag op uitkijk. Mijn God!, zo overduide­lijk als in een slechte krimifilm, bedenk ik nu.

In mijn herinnering ligt het najaar van 1944 als een pracht van een herfst opgeborgen. Zomers warm waren in september de dagen na de geallieerde landing bij Arnhem en Ooster­beek, goud­kleurig was de oktobermaand en daarop volgde een heldere, koude winter­tijd. Precies het weer, waarin de Britse Spitfires in enkele weken tijd ook overdag de opper­heer­schappij in de lucht boven Achterhoek en Liemers verover­den. Wat enorme indruk op mij maakte was wel, dat ze vlak bij ons op de weg naar Varsseveld zelfs het paard voor een lijkwagen dood­schoten. Alles wat bewoog werd een prooi van deze luchtacrobaten.

En elke nacht was het raak met die Britse en Amerikaan­se bommen­wer­pers. In onafzienbare luchtkonvooien trokken ze zowel hoog als met een grote noordelij­ke boog om het Duitse afweer­geschut te ontwijken over de Achterhoekse regio heen naar het Roergebied. Alles werd daar plat gebombardeerd. Nacht aan nacht. Van die fel beluisterde Engelse zender leerden we intussen het liedje: "Van de fabriek van Krupp staat alleen nog maar de stoep". Het moet echter veel meer geweest zijn, zo vaak werd daar gebombardeerd.

Het betekende intussen voor ons wél, dat we praktisch elke nacht door pa en ma uit onze diepe slaap werden gehaald, nadat de sirene op de hoge toren van de Silvoldse St. Mauritius-kerk dreigend rond­klon­k en luchtalarm aankondig­de. Dan was het snel aankleden geblazen, de nodige dekens en sjaals onder de arm of om de schouders geslagen en fluks het nachtelijke duister in, de straat schuin overgesto­ken en een plaats gezocht in de beltmo­len van oma en Leo Reyrink.

Binnen zijn meters­dikke muur nog extra omgeven door een grote belt van zand voelden we ons redelijk veilig - de kinders rond hun moeders en allemaal biddend aan de rozenkrans. De mannen-vaders stonden buiten voor de bands­deuren van de molen in regenweer of in heldere vriesnachten op de uitkijk, keken de hemel af, zagen soms de felle lichtbundels een vliegtuig vangen en het spervuur van het luchtafweergeschut afgeschoten worden.

Hoewel de beide helften van ons huis ouderwets grote kelders hadden durfden onze ouders daar niet te bivakkeren tijdens het luchtalarm. Want voor het gehele huis lag een groot reservoir in de grond van het benzine-station van mijn oom. Zou daarop een bom vallen dan vlogen we met huis, garage en schuren beslist de lucht in. Dat reservoir was zo goed als leeg in de eerste oorlogsjaren, maar bij de inkwartie­ring was deze door de Duit­sers weer in gebruik genomen. We gingen dus elke nacht met de hele buurt de molen in. Onze ouders hadden altijd zorg om ons en soms werkelijk angst bij die luchtaan­val­len. Alle slaapkamers boven in huis stonden dan ook leeg. Gewoon ontruimd. De ouderslaapkamer was beneden en ook van vooroorlogs formaat. Daar werd een soort twijfelaar bijge­zet waarin mijn beide zussen Ria en Lucie konden slapen. Er werden kasten en commodes van boven die kamer ingesjouwd om ondergoed en kleren in op te bergen. Daarnaast bleef er nog plek over om in een ouder­wets wat fors uitgevallen kinder­bed mijn jonger broertje Marcel te slapen te leggen. Daarmee was de slaapkamer bijna zo tjokvol als nu een illegaal huurpand in - pakweg Amster­dam.

Voor mij was er geen plaats meer in deze (oorlogs)-herberg. Ik werd in de woonkamer ernaast te slapen gelegd op de divan. Elke avond werden lakens en dekens uit die slaapkamer de huiskamer in gesjord en werd van de divan een bed gemaakt. Zo konden de kinders bij het afgaan van het luchtalarm snel, effi­ciënt en allemaal tegelijk 'opgetuigd' worden voor het nachtelijk verblijf in de 'möl van Reijerink'.

Trouwens ook bij de ingekwartierde Duitsers was gaandeweg meer angst van hun gezichten af te lezen. Hoe kon het anders. De soldaten gingen evenwel niet mee de molen in, maar bleven bij hun materieel. Ze wisten bovendien bliksems goed, dat er meer dan die zilver­kleurige strookjes papier door de aan de bom­menwer­pers voorafgaande jagers werden afgeworpen. Wat zij aan overmacht over zagen vliegen was duidelijker realiteit dat al die zo optimistisch gehouden Wehrma­cht-Nachrichten.

De eerste zorg van deze militairen was echter, zowel overdag als de Spitfires speurend rondcir­kelden als 's nachts als de lucht brommend trilde van de geallieerde eskaders om al het gerestaureerde en kaduke militaire wagenpark van de straat en van het omliggende terrein weg te halen en onzichtbaar onderdak te brengen.

Zo kwamen er al snel en ongevraagd ook een paar van zulke vrachtwagens bij ons naast het huis onder onze bomen te staan. Soms bleven ze er ook zonder dat er sprake was van luchtalarm gewoon staan. Elke camouflage-kans werd aangegre­pen. Daar konden we niets tegen beginnen. Je had je mond te houden. Maar weldra kwam het bij zovele Spitfires boven ons zover, dat mijn vader zelfs aanbood, dat er ook bij ons in het achter­huis

‘op de deel’ een of meer vracht­wa­gens geparkeerd konden worden. Mijn pa was niet zo menslievend van aard, maar het werd hem ras duidelijk, dat omwille van onze eigen veilig­heid en eigen bezit zoiets gedaan moest worden.

Zo kwam het aanbod ook bij de Duitsers over.  

Als de Spitfires een paard voor de lijkwagen konden wegschieten, was het voor die piloten ook een koud kunstje vrachtwagens onder een boom aan gruis te schieten. En dat dan op enkele meters van onze huiskamer verwijderd! Pa dacht echter bij dat alles zogezeid een étage dieper. Als er een vrachtwagen bij ons op de deel stond, was bij luchtalarm ieder van de straat af. Dat moest van overheidswege, maar het was ook een stukje eigen veiligheid. En soms gebeurde het dan. Ongezien ging mijn vader met een slangetje naar de dieseltank van een vrachtwa­gen, prutste het slangetje erin, zoog deze luchtvrij (geen lekkere bezigheid...) en tapte een paar litertjes brandstof af. Niet te veel - het mocht niet opvallen, maar wel vrij regelmatig. Als hij tenminste de kans ertoe schoon zag.

Bij luchtalarm overdag was het meestal moeilijk, omdat de soldaten overal en onver­wachts opdoken. Dan hielden ze speurend de wacht. Maar soms was het 's nachts bingo voor hem. Dan stonden de man­nen/vaders toch buiten voor de ingang van de molen om het gevaar in te schatten en de gang van de oorlog te bespreken en elkaar door te geven. En dan moest pa even tegenover naar huis. Kijken wat die soldaten (er werd een ander woord gebruikt!) zoal uithaalden.

U begrijpt het allemaal allang; we zijn als kinderen van deze altijd zorgende vader in de oorlog betrekkelijk weinig te kort gekomen. Beter ruilmateriaal dan benzine of diesel was er niet te vinden. De Silvoldse boeren rondom - met name de wat grotere - waren heel tuk op een vaatje of 'kenneke' benzine of diesel, want die hadden privé voor de oorlog nog een (kleine) dorsmolen voor eigen oogst aangeschaft.  Er bestonden toen nog geen loon-dorsbedrijven. Met deze brandstof konden ze dan clandestien  - vooral op mistige of natte/koude  dagen – hun graan dorsen. Dat was allemaal koren, waarvan niets aan de bezetters  geleverd behoefde te worden.

De pientere zonen op de boerderij­en wisten heel precies hoe ze het verplicht aangebrachte loodje op de dorsmolens zonder beschadiging konden verwijderen en weer aanbrengen. Wat ze nodig hadden was een mistige dag en wat diesel. De weergoden en mijn pa zorgden samen voor die onderdelen. Een heel goede combi­natie.

Met het koren dat mijn vader voor die litertjes inruilde kon bliksems veel gedaan worden. Een varken mesten bij voorbeeld. Verschillende familieleden van ons in het hongerende westen en midden van het land hebben spek gekregen, gegroeid op een varkensrug, dat met diesel-rogge was gevoerd. En als er eens een wild­vreemde Amster­dammer met een wrak fietske voorbij kwam - op kilometers afstand waren deze zwoegende mensen te herken­nen en het waren bovendien goedpraten­de wester­lingen - dan kreeg die binnenge­haald ook wel een stukske mee.

Zo werd het bij ons thuis in die donkere en zwaar verduisterde dagen Kerstmis 1944.

Normaal stond er thuis meestal een paar meter hoge kerstboom in de 'voorka­mer'. Stevig verankerd in een biertonneke, afkomstig uit Café Kolks. Er onder tegen het houten tonnetje aan kon dan precies de Kerst­stal geschoven en opgebouwd worden. Maar deze kamer was nu in Duitse handen. Dus zette mijn moeder in de hoek van de woonkamer een extra tafel neer en tuigde daar de - wat kleinere - boom op met ernaast de Kerststal.

Echter in die hoek van de huiskamer stond in deze oorlogswinter normaliter 'mijn' divan. Mijn slaap­stee werd daarop eenvoudig een metertje naar voren geschoven. Zo sliep ik in die Kerstdagen onder de kerstboom. De onderste takken hingen - zo denk ik nu - bijna, maar wel letterlijk boven mijn kussensloop. Ik voel - onder de wol uitkruipend - de dennen­naalden nog bij wijze van spreken.

De kerstboom van 1944 was een heel bijzondere. Wat bij ons thuis nooit gebeurde, had mijn mama toen gefikst: er hingen echte witgespikte chocolade-kerstkransjes en nog mooiere suikerkransjes en roze engeltjes van fondant in die boom daar boven mijn hoofd. Prachtig tussen de ballen en de bonte kersttooi. Mon Dieu, wat was dát een boom.
Op het allerlaatste moment door mijn moeder, laat op die Kerstavond, opgesierd toen de kinderen al naar bed waren. 

Ik wil me - mea maxima culpa - in dit verhaal echt niet mooier voordoen dan ik ben. Maar voordat de Nachtmis 1944 in onze St. Mauritius begon, was dat eetspul haast niet meer in die boom aanwezig.

Daar kwam de hele familie achter, nadat we met zijn allen uit de Nachtmis kwa­men. Wij kinderen gingen mee naar de plechtige Nachtmis en daarna ook voor die twee stille missen, waaraan ook haast geen einde kwam, omdat de hele kerk ter Commu­nie ging. Mama ging steeds wat vroeger naar huis, want zij moest nog een metworst braden, die kringelend de hele braadpan ging vullen. Dat was een stukje van haar Kerst­tradi­tie, die zij van thuis op Groot Immink in Voorst had meegebracht. Wanneer daar het rijtuig vol kerkgangers uit de Ulftse Nachtmis thuis kwam rook het in de kamer te Voorst naar goedgekruide braadworst, bijna verse krentenmik en dennennaalden. Zo ook bij ons dus. Alleen kwamen er in dat gedenkwaardige jaar 1944 die suiker-engeltjes bij, te verdelen onder ons, de vier kinderen. Iets extra's. Iets heel bijzonders in een oorlogswinter waarin regulair niets of bijna niets meer te krijgen was. Hoe mijn ouders eraan gekomen waren? Papa had kennelijk nog een litertje kunnen ruilen voor wat suikergoed met de glanzende herinnering aan wat voor de oorlog allemaal in dat goede, oude Holland mogelijk was geweest.

Maar toen de kaarsen in de boom aangestoken werden, brak aan die nachtelijke ontbijttafel een onbeschrijfelijke toestand uit. Tussen de tranen van Ria en Lucie door werd ik uitgekreten voor ... nou ja vul maar in.

Er werd (in dit geval heel natuurlijk) niet gezocht naar mogelijke daders. Het was zonneklaar, dat er maar één voor deze dieverij aangewezen kon worden. Dat was ik en mij bleef niets anders over dan de bui over me heen te laten gaan. Mama probeerde - toen die twee uitgeraasd waren - de familiebrand te blussen. Ik had nog steeds niet bekend - dat was me in de losgebroken kakofo­nie niet mogelijk gemaakt. Waarop mama opperde, dat wellicht het Kerstkind bezig was geweest.....u weet wel hoe dat dan loopt als het scheldpartijtje afzwakt.

Maar papa vond toch, dat ik er daarmee te gemakkelijk afkwam. "Ik denk dat we dit jaar twee Kerstkindjes hebben gehad". Zo sloot hij de discussie merk­waardig snel en voor mij zonder bloedvergieten af.

Hoe die Kerstnacht verder verliep?. 'Schoner dan de dagen' kunnen we Joost van den Vondel nazeggen. Want mama stond van tafel op en haalde verstopt achter uit de hoekkast nog een zakje met suiker-engeltjes. Zij had ze niet allemaal in de boom gehangen. Voor een litertje diesel was er meer te ruilen geweest dan de dennentakken konden dragen. De suiker-engeltjes uit dat zakje heb ik niet mogen proeven. Als ik mijn geheu­gen goed plunder... ik heb dat niet als onrechtvaardig ondervonden. Maar ze kunnen onmogelijk zo lekker gesmaakt hebben als die uit de boom. Dat geloof ik nu nog heilig.


6. Gerrit Kolks omgekomen bij het bombardement op Doetinchem  door Harry Kolks

De heemkundige vereniging Old Sillevold heeft een paar jaar geleden het zeer lezenswaardige dagboek van (mr.) Henri de Grood, de zoon van het hoofd van de Silvoldse ULO/MULO uitgegeven: “Een Silvolds Dagboek over de laatste oorlogsjaren”.
Het is een ‘eye-opener’ geworden, want met kennis van zaken en grote acribie is door de schrijver veel vastgelegd, wat onbekend of intussen vergeten was.
Henri de Groot schreef in het dagboek ook feiten neer, die hij elders vernomen had en zeker op het moment van schrijven niet verifiëren kon.
Zo vermeldt hij op pag. 49 van deze uitgave, schrijvend over het bombardement op Doetinchem in maart 1945, dat Gerrit Kolks in de kerk (bedoeld is de Grote of St. Catharinakerk) om het leven gekomen is.
Het ligt iets anders naar de woorden van mijn vader, die zijn oudste broer was. En ook naar de eensluidende gegevens van de andere broers en zusters van mijn oom Gerrit Kolks.

Gerhardus Bernardus Kolks werd te Silvolde geboren in 1891 als zoon van Johannes Lambertus (Lammert) Kolks en Hendrina Booms. Hij huwde op wat latere leeftijd op 03 mei 1944 met Francina Gerharda Raben (tante Sien), die in 1918 geboren werd te Didam/Nieuwdijk.
Na hun huwelijk in dat oorlogsjaar woonde het paar boven de Boekhandel Raadgeep in de Hamburgerstraat te Doetinchem. Mijn vader Hendrik , oom Antoon Kolks en oom Gerrit Kolks vormden samen het ‘Aannemersbedrijf Firma gebroeders Kolks’, als de opvolgers van vader Lammert, die het bedrijf in de negentiger jaren van de 19e eeuw begonnen was, overigens aanvankelijk in samenwerking met steven van de Kemp sr.
In Doetinchem in de Waterstraat, vlak bij en achter de toren van de Grote Kerk stond in die jaren de bank van Overling. NV Overling’s Bank was een particuliere bank, in die jaren onder directie van Albertus Michael Overling en zijn zoon.
In en rond Doetinchem leefde voor de Tweede wereldoorlog een behoorlijk sterke Joodse bevolkingsgroep. Toen duidelijk werd, dat de Duitse bezetters het met name op deze bevolkingsgroep voorzien hadden, begonnen velen van hen onder te duiken. De vaak vermogende Joden wendden zich in deze noodsituatie tot Overling om bij die bank hun geld en goud, effecten, andere waardepapieren en juwelen veilig op te bergen tot betere tijden en zo het bezit uit handen van de bezetters te houden. Overling nam vervolgens contact op met de drie broers om binnen zijn bank aan de Waterstraat een geheime kluis te bouwen ter bewaring van het Joodse bezit. Die kluis is eigenhandig gebouwd door de drie broers Kolks. Om de groep, die van de geheime bergplaats kennis droeg, zo klein mogelijk te houden, werd geen personeel ingeschakeld bij de bouw ervan.
Bij het bombardement van Doetinchem op 21 maart 1945 werd ook de Overling bank zwaar getroffen. De kluis was bedolven onder puin en om de inhoud ervan te redden moest deze zo snel mogelijk worden vrijgelegd en opengebroken. Dat kon alleen gebeuren door de drie broers Kolks zelf, omdat zij deze ingebouwd hadden. Overling heeft daartoe snelle hulp nodig gehad. Mijn vader woonde in Silvolde, te ver weg, Oom Antoon woonde bij de Watertoren in Doetinchem. Oom Gerrit woonde een paar honderd meters verderop en was het eerste ter plekke. Terwijl hij bezig was volgde op 21 maart het tweede bombardement. Tijdens het werk in het bankgebouw werd oom Gerrit door een bomscherf getroffen. Hij was direct dood, want hij werd door die scherf letterlijk onthoofd.
Gerrit Kolks werd dus niet in de kerk, maar vlakbij in de bank erachter dodelijk getroffen. © 2008

7. Februari-maart 1945: Albers, Gries en Breukelaar opgesloten in de Kruisberg te Doetinchem door Bernard Dorrestijn en Alie Tuenter-Stoltenborg

In de oorlogsjaren waren de ‘Zwarten’ - de in hun zwarte uniformen gestoken mannen van de NSB, officieel: de Landwacht -, de schrik van onze onderduikers, Joodse landgenoten, verzetsstrijders en alle weldenkende Nederlanders. Ze fungeerden als handlangers van de Duitsers en zagen kans om vele goede vaderlanders aan de bezetters over te leveren. Het luisteren naar Radio Oranje of het verspreiden van illegale blaadjes, kon al voldoende zijn om in de gevangenis te belanden. Zelfs het uitspreken van sympathie voor de Nederlandse zaak en/of het Oranjehuis, of antipathie voor de Führer en zijn trawanten, was al levensgevaarlijk!  

Aan de Ulftseweg, dicht bij de Galgenberg, had je café Gries, met annex de kapperszaak van de heer Gerrit Gries. Het café en de kapsalon waren zelfs met een deur met elkaar verbonden. In het café stond een oude radio die nogal eens op Radio Oranje (of een andere verboden zender) werd afgestemd. Middels de open deur konden de mensen in de kapsalon dan ook naar de uitzending luisteren.
Dat deden de kapper en z’n klanten ook op (of omstreeks) 21 februari 1945. Maar ze hadden toch eigenlijk kunnen weten dat dit een uiterst gevaarlijke bezigheid was, zeker als ze ook nog commentaar gingen geven... 
Wie er allemaal aanwezig waren en wie van hen er allemaal aan het gesprek deelnamen is niet meer te achterhalen, maar in ieder geval waren dat de oud-postbode Jan Albers van de Ulftseweg en Gerrit Breukelaar van onder aan de Bergstraat (thans Heuvelstraat), en waren zij waarschijnlijk ook deelnemers aan ’t gesprek. ’t Zou ook wat zijn als je in je eigen land niet meer zou mogen zeggen hoe je over de bezetting van je land en de daarmee  gepaard gaande onderdrukking van jou en je landgenoten dacht!
Maar ’t kan haast niet anders: waarschijnlijk heeft er die dag ook een ‘foute’ klant meegeluisterd…. en vervolgens ’t een en ander aan de Landwacht doorgebriefd….
In de ochtend van donderdag 23 februari stonden er opeens twee Zwarten, achtereenvolgens bij Gries en Albers op de stoep, die hen arresteerden en sommeerden  hun fiets te pakken en in noordelijke richting voor hen uit te rijden… In zulke gevallen had verzet altijd ernstige gevolgen…Dus Albers en Gries pakten hun rijwielen en begaven zich richting Terborg, gevolgd door - eveneens op de fiets - de beide Zwarten. Het moet een wonderlijk gezicht zijn geweest op het fietspad richting Terborg…
Begrijpelijkerwijs sloeg de angst en onrust bij de families Gries en Albers heel erg toe. Van Albers namen ze direct contact op met de familie Stoltenborg-Albers op de hoek Ulftseweg-Bergstraat. (dochter Dora Albers was getrouwd met de winkelier Gerrit Stoltenborg). Men wilde koste wat kost op de hoogte blijven van de plek waar Albers en Gries heengevoerd werden.
Daarom werd in allerijl besloten dat Alie Stoltenborg (17 jaar, dochter van ’t echtpaar Stoltenborg-Albers en dus een kleindochter van Opa Albers) het viertal - eveneens op de fiets - zou volgen, hetgeen haar ook gelukte. Ze wekte nog wel enig opzien bij de Zwarten, die haar in de buurt van Gaanderen dan ook vroegen wat ze in haar schild voerde… Ze antwoordde hen dat ze een boodschap in Doetinchem moest doen…
Te Doetinchem aangekomen verdween het viertal in een huis aan het Julianaplein (1). Alie stelde zich ergens in de buurt op, in afwachting tot Opa en Gries weer naar buiten zouden komen… Maar dat gebeurde maar steeds niet. Na enige tijd belde ze maar eens aan en vroeg ze de overvallers wat er met Opa en Gries ging gebeuren…, maar ze kreeg geen antwoord… Hierop besloot ze naar oom Gerrit Albers aan de Terborgseweg te gaan en hem om raad te vragen. Ome Gerrit ging direct met haar mee en vroeg op het bekende adres ook weer naar Opa Albers en Gerrit Gries, en toen kregen ze te horen dat beiden naar de Kruisberggevangenis waren overgebracht, maar dat ze (de vragenstellers) daar niets te zoeken hadden. Ze besloten dan ook om vooreerst maar weer huiswaarts te keren… Bij hun aftocht zagen ze de fietsen van Opa en Gries nog tegen de woning staan; die hebben ze dan ook maar gauw meegenomen…
Met dat relaas kwam Alie ’s middags weer in Silvolde aan …
Ze kon niets positiefs over de lotgevallen van Opa en Gries melden, en ze kreeg er te horen dat Gerrit Breukelaar van de Bergstraat ook nog opgehaald was.
Nu werd besloten dat mevrouw Dora Stoltenborg-Albers en de heer Jan Breukelaar (vader van Gerrit Breukelaar) naar de Kruisberg zouden gaan om te trachten de mannen  vrij te krijgen. Zo gezegd, zo gedaan, maar daar aangekomen, werden ze nauwelijks te woord gestaan… Na een paar uur kwamen ze onverrichterzake weer in Silvolde terug.
Wat zou het lot van Opa Albers, Gerrit Gries (2) en Gerrit Breukelaar zijn of worden?
’t Is nog de vraag of men er zich in Silvolde al wel van bewust was dat de bezetter een groot deel van de gevangenen in de Kruisberg als ‘Todeskandidaten’ aangewezen had… Als ergens een sabotagedaad gepleegd was dan veroorloofden de Duitsers zich om een aantal van deze gevangenen voor het vuurpeloton op te stellen; dit in de verhouding 1:10: voor 1 gevallen Duitser: 10 Nederlanders!
Hoe dan ook: de dagen kropen tergend langzaam voorbij: vrijdag 23 februari, zaterdag 24 februari, zondag 25 februari, maandag 26 februari, dinsdag 27 februari, woensdag 28 februari, donderdag 1 maart, vrijdag 2 maart…
2 Maart ’s middags dringt in Silvolde het gerucht door dat die ochtend te Varsseveld een groot aantal Kruisberggevangenen geliquideerd is… Als represaille voor het ombrengen van vier Duitsers door het verzet, brachten de bezetters in de vroege ochtend van die dag in het Rademakersbroek te Varsseveld 46 Todeskandidaten (‘kleine normoverschrijding’) van de Kruisberg om het leven!
Te Silvolde steeg de spanning ten top…
Zaterdag 3 maart, zondag 4 maart, maandag 5 maart, dinsdag 6 maart,  woensdag 7 maart,  donderdag 8 maart, vrijdag 9 maart…
Misschien heeft men in Silvolde nog niet gehoord dat de Duitsers
8 maart bij de Woeste Hoeve op de Veluwe 117 vaderlanders gedood hadden…
Maar op zaterdag 10 maart keren Albers, Gries en Breukelaar (3)
weer gezond en wel in Silvolde
terug… 
Waarschijnlijk zijn de Silvoldenaren gespaard gebleven van het etiket ‘Todeskandidaat’, en zodoende ook zelf gespaard gebleven!
Maar in vele andere dorpen en steden daalde het verdriet om de fusillades in alle hevigheid neer! 
In tegenstelling met het bovenstaande is men aan de Ulftseweg en de Bergstraat enorm dankbaar en blij dat de drie behouden in hun midden terug mochten keren!
En op Goede Vrijdag 30 maart rollen de Engelse gevechtswagentjes vanuit de Bontebrug over de Steenweg richting Silvolde…
Bij de Bergstraat houden ze halt… en maken de Tommies en de buurtgenoten een vreugdedans over de straat!
En in ’t vervolg kon je in de kapsalon van Gerrit Gries aan de Ulftseweg weer frank en vrij je mening over alles en nog wat verkondigen; er was geen luistervink/verklikker van welke vijand dan ook meer te bekennen!


Noten:
(1) De Nazi’s hadden toentertijd de straten met een aan het koningshuis gerelateerde naam, van een neutrale naam voorzien; reden waarom het Julianaplein toen Thorbeckeplein heette.

(2) In het boek ‘Woeste Hoeve, 8 maart 1945’ (1995) van Henk Berends staat onderaan op blz. 23 genoteerd: ‘Een centrale figuur binnen de gevangenis was kapper Gries uit Varsseveld.
Hij moest zijn beroep blijven uitoefenen. Op die manier leerde hij natuurlijk de namen van veel gevangenen kennen’. Met Varsseveld zal bedoeld zijn: Gemeente Wisch-Gemeentehuis Varsseveld.

(3) Idem, blz. 202: ‘Omstreeks half maart kreeg de familie (Blaauw te Doornspijk) een brief van Gerrit Breukelaar te Silvolde, die zelf op 10 maart uit de Kruisberg was ontslagen.’
Hoogstwaarschijnlijk zijn Albers en Gries ook op de 10de maart vrijgelaten; waarschijnlijk kwamen alle drie gelijktijdig vrij.

8. Een en ander over de routes die onze bevrijders op 30 en 31 maart en 1 april 1945 volgden door Bernard Dorrestijn

Versie 1:

Van 1940 tot 1945 hebben we onder de terreur van het nazidom moeten leven, maar daar kwam dankzij de Britten en Canadezen in de laatste dagen van maart en 1 pril 1945 in onze omgeving een eind aan. Op die drie dagen in 1945 vielen toen ook de Christelijke feestdagen Goede Vrijdag, Stille Zaterdag en Eerste Paasdag. Nogal bijzonder is dat dat nu in 2018 ook weer het geval is. Het is altijd goed om bij de Bevrijding van onze regio in 1945 stil te staan, maar dan toch zeker nu in 2018.

Met gebruikmaking van enkele legerverslagen en diverse (dag)boeken is een redelijk sluitend overzicht van die drie dagen te verkrijgen. 

GOEDE VRIJDAG 30 MAART 1945
De vorige avond kwam een bij ons ingekwartierde Duitse soldaat met half verbrande schoenen en natte kleren terug van het front bij Dinxperlo. Hij mocht ze bij mijn moeder in de achterkeuken in de oven van het fornuis weer op temperatuur brengen. Hoe het hem de volgende dag vergaan is, is zeer de vraag…
Op Goede Vrijdag 30 maart trokken de Britten in de vroege ochtend vanuit Anholt, achter in Voorst over de A-Strang richting de Terborgseweg in Breedenbroek en vandaar naar de Marmelhorst, alwaar ze vier afdelingen vormden; ik geef ze aan met de letters A, B, C en D. Afdeling A trok bij de Marmelhorst richting Sinderen-Varsseveld. Ze bevrijdden Sinderen en trokken door tot voorbij de Keurhorsterkerk, alwaar ze om ongeveer 17.00 uur hun nachtkwartier opzetten.
Afdeling B, C en D vervolgden hun weg richting de Kerspas. Waar ze onderweg Duitsers zagen, of dachten te zien, schoten ze een brandbom op af; de boerderijen De Nagel (fam. Lensink) en De Nachtegaal (fam. Colenbrander) gingen in vlammen op. Bij de Kerspas reden de afdelingen B en C de Oude Dinxperloseweg op. Even later sloeg afdeling B de Kroezendijk in, richting de Harterinkdijk, en zette die avond waarschijnlijk haar kampement op bij de boerderij Oberink in de Binnenheurne, nabij het Sportveld Oberink te Varsseveld.
Afdeling C reed door naar Silvolde en ondervond aanvankelijk weinig weerstand, maar dat veranderde even voorbij de Egginkstraat, waar ze vanaf de Dennenberg door de Duitsers beschoten werd.

Afdeling D trok bij de Kerspas richting Bontebrug-Silvolde en schoot onderweg de schuren bij de boerderijen van de families Venneman en Vossers in brand. Te Bontebrug ontwaarden ze enige beweging achter het kelderraam bij de familie Heersink, waarop ze er een bom op afvuurden. Twee familieleden raakten middelmatig gewond, maar zoon Johan werd dodelijk getroffen.
Het was Goede Vrijdag, maar vanwege het oorlogsgeweld dat de lucht al dagen beroerde, werd te Bontebrug die ochtend geen kerkdienst gehouden. Dominee Wielemaker kwam naar ons gelopen om een stuk spek (van zijn eigen voorraad) uit de spekkist bij ons op zolder, te halen. Op de terugweg zag hij tussen Barink en Hammink een onbeheerde fiets staan, die hij maar in
gebruik nam… en op naar de pastorie peddelde…

De gereformeerde kerk van Bontebrug anno 1942.
De gereformeerde kerk van Bontebrug anno 1932.

Even later arriveerden enkele Engelse gevechtswagentjes te Bontebrug en de militairen parkeerden ze tussen de kerk en het huis van de familie Oberink. Het buurtje werd van Duitsers bevrijd, maar owee… In Ulft bevonden zich nog Duitsers en die schoten de gevechtswagentjes in brand… Van blussen was geen sprake… De woning van Oberink en de kerk en pastorie stonden binnen de kortste keren in lichterlaaie… Dominee en mevrouw Wielemaker zetten het met hun kinderschaar op een lopen naar de boerderij van de familie Hammink… Had de dominee die ochtend die fiets en dat spek maar bij Hammink achtergelaten… 
Afdeling D trok verder richting Silvolde en schoot vanaf de Ulftseweg de boerderij van de familie Barink-Veldhorst (Lichtenberg 2) in brand, en even later draaiden ze de Lichtenberg op en stopten ze bij de familie Te Grotenhuis (Lichtenberg 3). Wij er naartoe… en zien daar dan voor 't eerst van ons leven hele echte Tommy's… Ze delen royaal kwatta en sigaretten uit … een paar glippen even in het kippenhok om snel een paar verse eieren te tikken en naar binnen te werken… Hadden ze ook wel verdiend! Maar dan beduiden ze ons dat we weer in de schuilkelders moeten, want het kan wel eens gevaarlijk worden als ze de vijand verder tegemoet trekken. Het is inmiddels ongeveer 16.00 uur. Bij de Bergstraat/Heuvelstraat lassen ze weer een pauze in en houden ze een straatfeestje met de buurt aldaar, compleet met kwatta en sigaretten.
De afdelingen D (Ulftseweg) en C (Oude Dinxperloseweg/Berkenlaan) zuiveren nu Silvolde tot de lijn Laan van Schuylenburch-Munstermanstraat en houden die avond halt te Silvolde. Op de Markt voeren sommige dorpelingen geanimeerde gesprekken met de bevrijders en nodigen ze hen in hun huis uit voor een klein feestje. De afdelingen D en C bivakkeren die nacht te Silvolde.

STILLE ZATERDAG 31 MAART 1945
Volgens de planning hadden de Tommy's allemaal richting Varsseveld moeten trekken, dus hadden de afdelingen C en D de Bontebrug en Silvolde helemaal links moeten laten liggen. Volgens diezelfde planning zouden de Canadezen vanuit Ulft de bevrijding van Bontebrug, Silvolde, Terborg enz. voor hun rekening moeten nemen.
Na een zware strijd te De Milt geleverd te hebben, arriveerden de Canadezen op vrijdagmiddag 30 maart te Ulft, maar daar zagen ze zich voor een opgeblazen brug over de Oude IJssel gesteld. Dus werden ze op hun opmars tegengehouden. Zaterdagmorgen 31 maart kregen ze de beschikking over bootjes en monteerden ze naast de vernielde brug een Baileybrug, zodat ze ook met zwaar materieel naar de overkant konden koersen. In de middag trokken ze met indrukwekkend zware tanks richting Bontebrug en Silvolde. De klinkers van de Ulftseweg hadden het zwaar te verduren, met name waar de gevaarten een (scherpe) bocht moesten maken… Te Bontebrug konden ze ongestoord doorrijden, de Tommy's hadden er het werk al geklaard! En op de Markt te Silvolde hadden de bewoners al een portret van Prins Bernhard en Prinses Juliana geplaatst. Maar voorbij Silvolde moest nog hard gevochten worden met de rond de Reijrinksmolen gelegerde Duitse eenheid. In de avond is de strijd nog niet beslist; de Duitsers bij de Reijrinksmolen waren nog niet definitief verslagen… Die avond slaan de Canadezen hun bivak in de Laan van Schuylenburch op.
De te Silvolde verblijvende Tommy's moeten op enig moment richting Varsseveld getrokken zijn, maar 't is onduidelijk wanneer.
In ieder geval trekken die zaterdagmorgen 31 maart de afdelingen A en B van de Britten (met de twee verzetsgroepen van de Binnenlandse Strijdkrachten) vanaf de Keurhorsterkerk en de boerderij Oberink richting Varsseveld, hetwelk hun vrij snel in handen valt. In de omgeving van de Terborgseweg en ten noorden van de Doetinchemseweg te Westendorp ontmoeten ze echter nogal zware tegenstand en zien ze zich genoodzaakt het zware geschut in werking te stellen; met 't gevolgd dat een groot aantal boerderijen verloren gaan. Te Heelweg verloopt een en ander heel wat rustiger, maar wordt het gebouw Maranatha toch nog een prooi van de vlammen.
Nog dezelfde dag trekken de Canadezen door naar Lichtenvoorde en Halle.

EERSTE PAASDAG 1 APRIL 1945
De slag om de Silvoldseweg, Paasberg en Terborg wordt 's nachts om 1.00 uur ingezet. Canadees vuur vanaf Silvolde en de Oude Dinxperloseweg/Berkenlaan, Duits vuur vanaf Reijrinksmolen en de Paasberg. Omstreeks 3.00 uur is het pleit in 't voordeel van de Canadezen beslecht en kunnen ze richting Terborg doorstoten. De meeste bewoners van de huizen aan de Silvoldseweg zullen deze nacht wel wakend hebben doorgebracht, maar van een aantal van hen is bekend dat ze die nacht in de slaapstand van bezet Nederland naar bevrijd Nederland zijn overgegaan…
Terborg wordt nu huis voor huis gezuiverd, 28 Duitsers vinden de dood, 68 Duitsers worden gevangen genomen. Omstreeks 6.00 uur in de morgen Eerste Paasdag 1 april is ook Terborg VRIJ!
De volgende dagen trekt er nog heel veel zwaar materieel door Ulft, Bontebrug, Silvolde, Terborg, Gaanderen en Doetinchem.

Versie 2:
Op de pagina’s 22 en 23 staat een kaart van onze omgeving, met daarop aangegeven een proeve van de routes die de Britse en Canadese bevrijders op 30 maart (Goede Vrijdag), 31 maart (Stille Zaterdag) en

1 april (Eerste Paasdag) 1945 bij de bevrijding  van onze streek volgden. Het gaat me hierbij duidelijk om de routes op de eerste dag van de acties, om die van de stoottroepen, de echte bevrijders dus, niet om de vervolgcolonnes, dat is een heel ander verhaal. De routes van 30 maart zijn in donkerbruin aangegeven, die van 31 maart in oranje en die van 1 april in groen.

Bij het opzetten van de kaart is uitgegaan van informatie uit tientallen boeken en andere publicaties en van even zo vele interviews. Waarbij al direct moet worden aangetekend dat die informatie lang niet altijd gelijkluidend is. Dus moesten er keuzes gemaakt worden; en mogelijk heb ik daarbij wel eens verkeerd gekozen! Mijn welgemeende excuses daarvoor!

Eind maart 1945 staken de Britten en Canadezen bij Rees en Wezel de Rijn over - Operatie Plunder - en  op 28 maart bevrijdden zij het dorp Megchelen, als eerste plaats boven de grote rivieren.

Op 30 maart startte vandaar uit de bevrijding van oost en noord Nederland.

De planning was dat de Canadezen de lijn Gendringen-Ulft-Silvolde-Terborg-Doetinchem-Hummelo zouden volgen, als ook de lijn Varsseveld-Halle-Zelhem-Ruurlo-Lochem-Twente-Drenthe-Groningen.

De Britten moesten Dinxperlo,  Aalten, Winterswijk en de oostelijke Achterhoek zuiveren en daarna Duitsland intrekken.

Op 30 maart trok een Canadese eenheid vanuit Megchelen richting Netterden en ook een richting Wals, Wieken, Milt, Gendringen, Ulft, Etten enz.

Toen andere Canadezen op 31 maart vanuit Megchelen en Gendringen in Ulft arriveerden werden ze daar met een vernielde Oude IJsselbrug geconfronteerd en konden ze nog niet onmiddellijk naar Nieuwdorp/Bontebrug-Silvolde doorstoten. We komen daar nog op terug.

De Engelsen trokken op 30 maart vanuit Megchelen via Anholt, Dinxperlo, IJzerlo en Lintelo naar Aalten, en ook via  Dinxperlo, Suderwick en Bocholt naar Aalten en Winterswijk.

Ook op 30 maart trokken gecombineerde Candees-Britse eenheden vanuit Megchelen via Anholt, Voorst (noodbrug i.p.v. de vernielde Holtforster brug), over de Tulenstraat naar de Terborgseweg in Breedenbroek en vandaar in noordelijke richting.

Bij de Marmelhorst aangekomen sloeg aldaar een eenheid rechtsaf en bereikte vervolgens Sinderen, vanwaar men die dag nog tot voorbij de Keurhorsterkerk doorstootte en even voorbij die kerk omstreeks 17.00 uur in het daar aanwezige weiland een kampement opzette.

In die tijd kraste bij Lammers van de Vicaalstede aan de Molenweg  een Engelse soldaat in een plank van de schuur:

‘W.B. Englisch Armee 29-3-1945’. Dat was een kleine vergissing van W.B., want op 29-3 was hij nog in de omgeving van Megchelen.

Maar in tijden van oorlog, als je anderen aan het bevrijden bent, kom je wel eens met de dagen en data in de war, dus we nemen W.B. zeker niets kwalijk!

Een ander gedeelte vervolgde bij de Marmelhorst de weg naar de Kerspas, alwaar een zuiver Brits deel van de eenheid de weg richting Nieuwdorp/Bontebrug bleef volgen. We komen daar nog op terug.

Een groter deel sloeg de Oude Dinxperloseweg in. Bij de Langedijk (nu Kroezendijk geheten) sloeg het grootste deel van deze eenheid genoemde weg in, maar aan het eind reed men door het weidje van Willem Schoppers.

Het is ook bekend dat hongerige bevrijders graag het kippenhok ingaan en om snel even een paar eieren te tikken en de inhoud tot zich nemen. Bij Seinhorst van Groot Salemink hadden ze echter pech, want daar tikten ze een paar gipseieren stuk…

Ze vervolgden de Kroezendijk en de Harterinkdijk en arriveerden die dag nog bij de boerderijen Harterink en Oberink bezuiden Varsseveld.

Op de Oude Dinxperloseweg reed het overgebleven deel van de eenheid door naar Silvolde en bereikte die dag nog de omgeving van de Dennenberg-Munstermanstraat.

De Britten die via de Dinxperloseweg naar Nieuwdorp/Bontebrug doorstootten hielden zich niet aan de planning dat die omgeving vanuit Ulft door de Canadezen bevrijd moest worden. Maar de Canadezen werden in Ulft door de opgeblazen brug tegen gehouden.

Het is me niet bekend of de actie van de Britten een met de Canadezen gecoördineerde of een toevallige vergissing is geweest.

Hoe het zij, de Britten zetten te Bontebrug in de voormiddag van de 30-3 een paar gevechtswagens tussen de Gereformeerde kerk en de woning van de familie G. Oberink. Deze wagens werden echter vanuit de een of andere hoek door de Duitsers in brand geschoten, met het gevolg dat de kerk en de pastorie van dominee M. Wielemaker en het huis van Oberink in vlammen opgingen.

Was het geschut op het perceel Lichtenberg verantwoordelijk voor dit fatale vuur? Onlangs vertelde groenteboer G. Kok te Bontebrug me dat de nog te Ulft aanwezige Duitsers het hadden afgeschoten… Dat zou dan waarschijnlijk hun laatste oorlogsdaad geweest zijn…

De Tommies trokken diezelfde 30e maart nog door tot Silvolde, alwaar ze voorbij het centrum op ernstige tegenstand stuitten, reden waarom ze die avond en nacht op en rond de Markt halt hielden.
Op 31 maart bleven de Canadezen in Ulft niet bij de pakken (de kapotte brug) neerzitten. Ze sloegen vlug een baileybrug naast de wrakstukken van de bestaande en stootten daarover snel door naar Nieuwdorp/Bontebrug en Silvolde.

Samen met de Britten werd toen de Duitse tegenstand voorbij het dorpscentrum gebroken en zetten ze een kampement op, op de hoek Terborgseweg-Laan van Schuilenburgh.In de Paasnacht trokken de Canadezen en Britten op naar Terborg en al om drie uur was Terborg bevrijd. Men trok al snel door naar Gaanderen-Doetinchem.

Nog altijd bevond zich een Britse eenheid bij de combinatie die eigenlijk in de oostelijke Achterhoek en Twente moest opereren. Deze is toen waarschijnlijk in Gaanderen rechtsaf de Steverinkstraat ingeslagen en vervolgens rechtsaf de Heidedijk opgegaan. Bij de Keppelbroeksdijk aangekomen namen de eerste tanks de scherpe bocht naar links richting de Knienenbultse school, maar de volgende sneden de bocht af en reden bij Berkelder door het weiland, waarbij ze ook het ijzeren weidehek niet ontzagen… Berkelder is nog een dag aan het hameren geweest om het fatsoen er weer in te krijgen…

De Britten zullen wel richting Varsseveld-Lichtenvoorde getrokken zijn en zich bij hun eigenlijke onderdeel gevoegd hebben.

Zij waren het die ons op Goede Vrijdag in Silvolde bevrijdden!
Zoals gezegd zijn op de kaart alleen de bewegingen van de troepen op 30 maart, 31 maart en 1 april ingekleurd, en dat in de eerste plaats van de hoofdeenheden.
De gebieden links en rechts daarvan moesten natuurlijk ook gezuiverd worden, maar al die bewegingen van de bevrijders zijn me echter veelal onbekend en heb ik dan ook niet aangegeven.
In het verleden heeft wijlen de heer Leo Bruil Traanboer daar nog wel heel veel over opgespoord en vastgelegd in zijn boek ‘Wisch in bezettingstijd 1940-1945’
.

In het standaardwerk ‘Canadezen in actie’, 1990, zetten Hen Bollen en Paul Vroeman ook diverse routes op de kaart, maar deze behoeven zo hier en daar behoorlijk wat correcties, zo verzekerde me jaren geleden wijlen Henk Agterhof uit Dinxperlo al.

Op de kaart is ook niet aangegeven waar de Britten opereerden en waar de Canadezen, maar op voorgaande pagina’s heb ik daar een enkele keer wel wat over opgemerkt.
In het algemeen kan gezegd worden dat daarover veel verwarring bestaat, b.v. ook in dit Bulletin en in het Bulletin Voorjaar 2010.

Zo worden de bevrijders van Nieuwdorp/Bontebrug en Silvolde nogal eens als Canadezen aangemerkt, terwijl dit toch echt Tommies/Britten waren.
Op andere plaatsen worden Canadezen weer Tommies genoemd, een betiteling  waar eerstgenoemden altijd resoluut bezwaar tegen aantekenden!

De verwarring wordt voor een groot deel veroorzaakt door de vijfpuntige witte ster op de geallieerde voertuigen, zowel op de Canadese als ook op de Britse.
Genoemde ster lijkt wel iets op het embleem van Canada, het esdoornblad. Zodoende werden heel veel Britse voertuigen ten onrechte vaak als Canadees aangemerkt.
De vijfpuntige witte ster was gewoon een geallieerd herkenningsteken. We vinden ze op de zijkanten, de portieren en de motorkap van de voertuigen.
De grote witte ster op de motorkap was voor geallieerde vliegers een duidelijk teken dat men daar beneden met bevriende troepen van doen had.
Nu was het zo dat sommige voertuigen wel het esdoornblad-teken voerden; dat waren dan inderdaad Canadese.
De Canadese staat nam overigens het esdoornblad pas in 1965 als nationaal embleem aan.
In hun boek ‘Canadezen in actie’ schrijven  Hen Bollen en Paul Vroeman hierover:
De Maple Leaf, het suikeresdoornblad- of ahornblad, was allang een officieus Canadees symbool, onder meer tijdens de Tweede Wereldoorlog, voordat het embleem op 15 februari 1965 officieel het nationale symbool van het land werd.
De nationale vlag werd ingesteld bij decreet van koningin Elisabeth nadat beide kamers van het parlement de Maple Leaf als zodanig hadden aanvaard.
De officiële kleuren van het land zijn rood en wit. Het esdoornblad wordt in rood afgebeeld, dat aan beide zijden een rode baan heeft. Het blad heeft elf puntige uiteinden, die de negen provincies en de twee Territories van Canada symboliseren’.
Met dank aan mijn informanten, met name: Karel Migchelbrink, Gerrit Kobes en Tonny Beverdam.

9. Oorlogsherinneringen van de familie Jansen door Ben Jansen

Eerst een anekdote van internationaal formaat, nogal grappig vind ik zelf. Vlak voor de Duitse capitulatie strooide de RAF pamfletten uit om de Duitsers te bewegen zich zonder veel poespas over te geven, om levens te redden. In het pamflet stond o.m.: 'Hände hoch heben und Taschentuch schwencken.' Eén van de pamfletten werd opgeraapt door een Russische krijgsgevangene, wiens taak het was aardappels te schillen voor de Duitsers die in de school ingekwartierd waren. Hij kwam naar mij toe om me te vragen het pamflet voor hem te vertalen, wat ik toentertijd onmogelijk kon. Het grappige van het voorval is: hier is een Russische gevangene, die een Nederlandse jongen vraagt een Duits pamflet te vertalen, dat gedropt is door een Engelse piloot!

Nu een verhaal van de dag van de bevrijding. Vraag me niet naar de precieze datum of de namen van sommige personen die het betreft, dat is, denk ik, toch niet belangrijk. Het was een mooie zonnige dag in maart/april, maar toch nog erg koud. Brugwachter Verdonk (niet zijn echte naam) te Ulft had mijn vader gevraagd het dak van zijn huis te repareren. Dat dak was zwaar beschadigd bij het opblazen van de brug over de Oude IJssel. De Duitsers hadden zich misrekend met het tijdstip en de knop een paar weken te vroeg ingedrukt.

Het hotel aan de overkant van de rivier was zelfs nog meer beschadigd dan het huis van de brugwachter, want het hotel lag direct naast de rivier. Verdonk had toestemming om dakpannen van het hotel te gebruiken voor zijn eigen huis. Ik denk dat het vrijdag was en mijn vader had besloten zijn twee oudste zonen mee te nemen om hem te helpen. Johan die 22 jaar was en ik, toen 15. Omdat de brug verwoest was, gebruikten we Verdonks boot om de dakpannen naar deze kant van de rivier te brengen. We hoorden gevechtsvliegtuigen in de lucht, maar besteedden daar weinig aandacht aan, omdat dit niet ongewoon was.

Johan zat op het hoteldak, ik stond op de ladder en papa stapelde de pannen op de rivieroever, toen we hem hoorden discussiëren met een paar zwaarbewapende Duitsers. Ze hadden onze boot genomen en voeren er met midden op de rivier. Met geen mogelijkheid waren ze er toe te bewegen er afstand van te doen of zelfs maar ons te helpen terug te komen naar onze kant van de rivier. Vanaf dat moment werd er geschoten, de gevechtsvliegtuigen werden steeds agressiever en schoten op Duitse stellingen. We konden echt niet meer verder gaan met het werk. Papa kwam toen op het idee onze ladder te gebruiken om over de puinhopen van de brug naar de overkant te klimmen en zo te proberen naar huis te komen. Dus pakten we de ladder en liepen om het hotel heen naar de brug, waar we het vreemdste zagen wat ik ooit gezien heb. Daar kwam een Nederlander aan die een kruiwagen duwde met daarop een Duitse soldaat met een grote wond aan zijn been. Die richtte een revolver op de arme Nederlander om hem te dwingen de kruiwagen te duwen. Blijkbaar wilde hij bij zijn kameraden op de rivier zijn. Wij liepen naar de ruïne van de brug. Een deel van het brugdek was onder het water verdwenen, waardoor een gat van ongeveer zes meter was ontstaan, waar het water angstaanjagend doorheen stroomde. We kwamen er achter dat het niet makkelijk was om een stroom van zes meter over te steken met een ladder van 5½ meter en onder het oog van gewapende Duitsers. We probeerden het door de ladder rechtop te houden en dan over het gat te laten vallen, maar elke keer werd het andere eind van de ladder door de stroom meegenomen. Onderwijl verscheen op het andere eind van een van mijn zwagers, die schreeuwde dat we naar huis moesten komen, omdat de Canadese tanks onderweg waren.

Vraag me niet meer welke zwager, daar kun je niets aan doen als je zeven zusters hebt! Als ik het me goed herinner was het Bob Erdtsieck of Gerrit te Ronde. We haalden hem over om over de puinhoop aan de andere kant te klimmen en de ladder te grijpen zodat die niet meer weg kon drijven. Dat lukte hem. Van papa moest ik, omdat ik de jongste was, als eerste naar de overkant kruipen. Met mijn hart in mijn keel, steeds een blik werpend op de Duitsers, die op de gevechtsvliegtuigen schoten, bereikte ik de overkant en prompt sprong ik aan de verkeerde kant van de ladder. Ik had net zo goed naar de overkant kunnen zwemmen...

Achter mij volgden Johan en papa, die alleen hun voeten nat kregen. Nadat we langs de resten van de brug geklauterd waren, werden we geconfronteerd met een kwade Duitser  met een machinegeweer. Hij richtte dat op mijn broer Johan en dwong hem weer naar beneden te gaan en de ladder vrij te maken, die was blijven haken aan een stuk betonijzer en dwars in de rivier lag, als een klein bruggetje. Johan deed wat hem gezegd werd en gaf de ladder een flinke trap. Dat was het laatste wat we er van gezien hebben, misschien zal hij zijn weg naar de zee gevonden hebben...

Vanaf dat moment was het op handen en voeten en knieën, geweervuur en vliegtuigen vermijdend, proberen de kilometer naar ons huis aan de Bontebrug te komen. De Bontebrug is een buurt en te klein om een dorp te heten. We vernamen dat de munitiewagen, die geparkeerd stond bij de kerk, getroffen was door een granaat. Geen wonder dat zowel de kerk als de pastorie en het aangrenzende huis van de familie Oberink in lichtelaaie stonden toen ik thuis kwam. Brandweer was er niet en niemand zou het in zijn hoofd halen op dit moment te helpen, dus brandde het geheel tot de grond toe af. Tegen de tijd dat we thuis kwamen, werd nog steeds hevig gevochten en papa verspilde geen tijd. Hij stuurde ons meteen naar de kelder, die al volgepakt zat met mama, broers, zusters en zwagers. Dit was een angstig maar niettemin spannend hoofdstuk van mijn leven!



10. Oorlogsverslag Gereformeerde Kerk Bontebrug  door J.R. Westerveld
wonende in de hoofdenwoning van de Chr. School te Bontebrug-Silvolde

 

Op Goede Vrijdag, 30 maart 1945 trof een ramp onze kerk, die wel enig is in de geschiedenis van de Geref. kerk te Silvolde-Gendringen.

Na bijna vijf jaren gezucht te hebben onder de druk van het Duitse Nazi-regime kwam het Engelse leger over Nijmegen-Cleve-Calcar-Goch-Emmerich over onze grenzen. Op vrijdag 23 maart des namiddags om circa 5 uur begon het granaatvuur, waardoor in de gemeente Gendringen reeds doden vielen. Een Duits soldaat, die bij de Chr. School zich in een eenmansgat had verborgen werd door een granaatscherf aan de vinger gewond. Meerdere granaatscherven werden in de omgeving van kerk en school gevonden.

Een week van angstige spanning volgde. Voortdurend aanvallen uit de lucht door Engelse vliegers.

Donderdag 29 maart verschenen de Engelsen en Canadezen in Breedenbroek. Op dien zelfden donderdagavond kwamen Duitse frontsoldaten nog kwartier maken in de pastorie, de school en andere particuliere woningen.

De spanning nam toe. Op vrijdagmorgen 31 maart was de stemming onder de Duitse soldaten erg nerveus. Om circa 10 uur kwam een ordonnans de verschillende groepen waarschuwen. In grote haast werd alles in gereedheid gebracht. De meeste Duitsers vertrokken. Enkele bleven achter in de school en omgeving. Intussen brandden de schuren van Vossers en Venneman reeds.

Om circa 11 uur trokken de Engelse gevechtswagens over de Oude Dinxperloseweg. Af en toe werd mitrailleurvuur gehoord.  Om circa 1 uur verschenen de Engelse gevechtswagens en lichte tanks in de omgeving van kerk en school tot aan Nieuwdorp aan toe. Duitse soldaten werden gevangen genomen. Intussen was de boerderij 'Nagel' van broeder G.W. Lensink reeds in vlammen opgegaan. De Duitse soldaten, die daar dien zelfden nacht in kwartier waren gekomen schoten vanuit het huis op Engelsen. Deze namen het huis onder vuur. Huis en schuur verbrandden met de hele inboedel. De bewoners, die zich in de kelder hadden verborgen, moesten vluchten met achterlating van alles. Gedurende een week vonden ze onderdak in de boerderij van den heer H. Tieltjes. Daarna werd het kippenhok als woning genomen.

Terug naar vrijdag 30 maart. Al spoedig waren een vrij groot aantal gevechtswagens, tanks en auto's  in de omgeving van de kerk geconcentreerd. Een vijftal wagens, geladen met munitie, benzine enz. werd in de onmiddellijke omgeving van de kerk gezet.

Toen begon het Duitse granaatvuur. Eén der Engelse wagens die geplaatst was tussen de kerk en het huis, bewoond door het gezin van broeder G. Oberink, kreeg een voltreffer. Ogenblikkelijk stond wagen in brand. Er was geen enkele gelegenheid tot blussen. In de eerste plaats kon geen brandspuit komen vanwege het hevige granaatvuur, maar er was ook geen water. De waterleiding was reeds de hele dag buiten werking geweest. De brand sloeg spoedig over naar de kerk. 't was één vlammenzee. Na korte tijd vatte ook de pastorie vlam. De bewoners, die zich in de kelder ophielden, moesten vluchten. Aan blussen viel niet te denken, zelfs niet aan het redden van de inboedel. Alleen wat in de kelder was kon door 't kelderluik naar buiten worden gebracht. Allen vluchtten de woning binnen van het Hoofd der school. Hierbij voegden zich ook nog een aantal Engelse soldaten, waarbij ‚‚n nagenoeg bewusteloos.

Toen kerk en pastorie in lichtelaaie stonden, vatte ook het huis bewoond door de fam. Oberink vlam. Daar de windrichting ten opzichte van het huis gunstig was, kon hieruit veel worden gered.

Tegelijkertijd brandde ook de boerderij af van de familie Barink-Veldhorst. Ook hier greep het vuur zo snel om zich heen dat maar weinig gered kon worden.  Dan nog werd de boerderij, bewoond door het gezin van wed. Maatman-Oenk op de Mildt in de as gelegd. Letterlijk niets kon daar worden gered.

Het Duitse granaatvuur was intussen opgehouden. Ds. Wielemaker begaf zich met zijn gezin, bestaande uit twaalf personen, naar de boerderij van de heer A.J. Hammink. Hier vonden zij gedurende een week een gastvrij onderdak. Niet alleen het predikantsgezin, maar ook de hele gemeente was het gezin Hammink dankbaar voor de gastvrijheid. Gelukkig vond ds. Wielemaker door bemiddeling van broeder Boll spoedig een woning in Ulft. Deze woning was tevoren bewoond door een Rijks Duitser, de heer Gerick. Dit huis was wel te klein voor hen, maar voorlopig kon het toch wel in gebruik worden genomen.

Op Palmzondag, Goede Vrijdag  en de beide Paasdagen werd geen kerkdienst gehouden. Eerst niet om het gevaar en met de Paasdagen niet omdat er geen gebouw disponibel was.

Op Stille Zaterdag en Paaszondag werd het overige deel der gemeente bevrijd. Vreugde was allerwegen, ondanks de rampen die ons hadden getroffen. Een ban was van ons afgevallen. Geen angst meer voor bombardementen. Niet meer opgejaagd om te werken voor de organisatie Todt. In onze kerkelijke gemeente waren geen mensenlevens te betreuren. Dat stemde tot grote dankbaarheid. Van deze dankbaarheid werd gewag gemaakt in de kerkdienst die gehouden werd op op zondag 8 april. Door enkele broeders en zusters was het gymnastieklokaal bij de Chr. School, het voormalige kerkgebouw, in orde gebracht voor het houden van kerkdiensten.

Ds. Wielemaker herdacht in gevoelvolle woorden de ramp die ons getroffen had, maar ook de bevrijding die ons deel was geworden. Hij vestigde hier in zonderheid de aandacht op de zwaarst getroffenen. Zij allen werden in de liefde en zorg der gemeente aanbevolen. Wat den Predikant zelf betrof, het verlies van zijn bibliotheek was wel één der zwaarste dingen die hem troffen.

De kerk brandde totaal uit. Niets werd er uit gehaald. Het hele archief met oude notulenboeken en het pas in orde gebrachte kaartregister verdween in de vlammen. Teven verbrandde in de kerk nagenoeg de hele inventaris van de Chr. School, waaronder veertien schoolbanken.

Twaalf en een half jaar hebben we in ons mooie, vriendelijke kerkje mogen samenkomen. Alle schulden waren er op afgelost. Rijk had de Heer ons gezegend, niet alleen geestelijk, maar ook stoffelijk. Waarom God deze ramp over ons bracht? Waarom juist zo velen uit onze gemeente zo zwaar getroffen werden? Wij weten het niet; wij willen die vragen ook niet stellen, maar alles leggen in Gods trouwe Vaderhanden.

 


11. Oorlogsherinneringen Nieuwdorp/Bontebrug-Silvolde  door Ben Vriezen

Eind mei 1940 was ik een keer voor een boodschap te Bontebrug bij Mentink in de winkel. Even later diende zich ook boer Lankhof uit de Slaege aan. Ik hoorde hem tegen Mentink zeggen: ‘Goeiendag, ik kom de fiets van mien zoon ophalen’. De oudste zoon van Lankhof was soldaat in het Nederlandse leger. Als hij naar de kazerne moest dan gaf hij zijn fiets altijd bij Men-tink in bewaring, stapte dan in de bus, om dan bij terugkomst weer op z’n fiets naar huis te rijden. Maar tijdens de Pinksterdagen raakte hij op de Grebbeberg bij de gevechten tegen de Duitse overvallers betrokken en bleef hij daar in de strijd …; hij zou nooit meer op de Bontebrug en in zijn oudershuis in de Slaege terugkomen…

Dat was natuurlijk een zeer ernstige ervaring voor me, maar verder ging het leven onder de bezetter aanvankelijk toch nog zo ongeveer z’n gewone gang. Maar vervolgens zetten de Duitsers ons toch met kleine stapjes steeds verder onder druk, met name de Joodse inwoners. Sommigen hunner zochten een onderduikadres, anderen dachten dat het nog wel mee zou vallen.

Mijn vader handelde altijd met
Isaäk Herschel uit Terborg; hij vond een veilig onderkomen en overleefde de oorlog.

Door de controle op de verbouw van alles en de distributie van bijna alle producten kwam er op den duur gebrek aan bijna alles. Voor de boeren was het de kunst om wat van de eigen verbouw van graan en van het vee en van de slacht achter te houden, voor eigen gebruik en voor de medeburgers. Maar dit alles moest dan wel stiekem be- en/of verwerkt worden. Zo had mijn vader in het kippenhok een graanmolentje en een oliepersje in bedrijf. Gelukkig is hij nooit gesnapt…

Het verzet, oftewel de ondergrondse, kwam langzamerhand ook steeds meer op gang. Op dat gebied waren onder anderen de jongens van dokter Cappetti te Ulft zeer actief. Het kwam wel eens voor dat mensen van de ondergrondse enkele nachten bij ons kwamen slapen, onder anderen een zekere Kees; we hebben nooit een achternaam van hem doorgekregen. Een zekere Deurlo, belastingambtenaar te Winterswijk, bracht eens een volle week bij ons door.

De elektriciteit werd ook vaak afgesloten, maar den Rooien Massop (PGEM-man) uit Ulft zorgde er dan voor dat het loodje in de meterkast een tijdje verwijderd werd, zodat we in onze werkplaats weer stroom hadden voor onze zaag- en schaafmachines.

Aan het eind van de oorlog kwamen we er achter dat er over de grens bij Rees en Bienen een paar verschrikkelijke arbeidskampen voor mannen uit o.a. Rotterdam, Den Haag, Haarlem en Apeldoorn gevestigd waren. Maar op den duur wisten - dankzij een aantal Nederlanders - de meesten van hen naar Megchelen enz. weg te komen. Die mensen werden hier dan eerst in noodziekenhuizen opgevangen en daarna bij gastgezinnen ondergebracht. Zo arriveerde de heer Wim Beekink uit Den Haag bij ons thuis. Hij is hier weer behoorlijk aangesterkt en na de oorlog weer naar zijn vrouw en kinderen in Den Haag vertrokken. In september 2011 is hij overleden.

Eindelijk kwam de bevrijding van de kant van de Kerspas. Maar de Duitsers rondom om ons huis en de Bontebrug wilden hen toch nog tegenhouden. In ons buurtje (thans Bontebrug 2-4-6) zaten de Duitse soldaten elk in een eenmansgat (gaten van 1 bij 1 meter en bijna 2 meter diep). De commandant zat het dichtste bij de weg en hij beval zijn soldaten tot de aanval over te gaan, maar die zagen daar het nut niet meer van in; ze schoten zelfs een paar kogels in zijn richting af… Hij raakte gewond.
Inmiddels kwamen de geallieerden steeds dichterbij...

De commandant zat nog licht gewond en als verdoofd in het eenmansgat. Buurman Pothoff en ik hebben hem er uit gehaald en bij ons in onze werkplaats op een deken gelegd. Mijn moeder knielde bij hem neer en probeerde hem wat te drinken te geven en de levensgeesten te activeren, maar de man overleefde het niet…
We waren bevrijd!

Tijdens het oprukken van de geallieerden zaten we in onze buurt allemaal zoveel mogelijk in de kelder. Zo ook bij de familie Heersink. De geallieerden hebben blijkbaar iets zien bewegen achter het kelderraam, waarop ze vervolgens een granaat afschoten. Johan (25 jaar) werd dodelijk getroffen; zijn vader en broer werden gewond. Mijn vader en ik hebben Johan uit de kelder gehaald, opgebaard en in de kist gelegd.. Nooit meer oorlog!


 


12. Oorlogsverhaal door Willy (Bill)Jansen

Ik was bijna zeven jaar oud toen het Duitse leger ons rustige dorp binnenviel. Ik klom naar de zolder en keek door het dakraam naar het oosten en zag honderden soldaten over de weiden vanaf Dinxperlo komen. Het was voor mij een opwindende gebeurtenis, we hadden die dag natuurlijk geen school.

We zaten samen pannenkoeken te eten in de keuken, met de deur open en pa zat zoals gewoonlijk in zijn stoel met de rug naar de deur. Ik zat tegenover hem en zag over zijn schouder een Duitse officier met ongeveer zes soldaten op de bank op het schoolplein zitten. De officier keek naar ons met een verrekijker. Dit vertelde ik pa en hij draaide zich om om te kijken. Hij zei dat ik dat goed gezien had, maar hij bedoelde dat hij mij nieuwsgierig vond. De Duitsers moeten die pannenkoeken in onze monden hebben zien verdwijnen, want na een poosje stonden ze op, kropen door ons gat in het schoolhek en kwamen langs ons tuinpad. Dit zei ik tegen mijn vader en toen hij zich omdraaide stonden ze bij de keukendeur.

Als bij toeval moesten ze uitgerekend komen bij het enige huis in de straat waarvan de bewoners vloeiend Duits konden spreken. De officier vroeg pa of de 'Hausfrau' voor hen tegen betaling wat pannenkoeken wilde bakken. Pa vroeg het ma en Mimi en zij zeiden dat dat geregeld kon worden en alle kinderen werden uit de keuken weggestuurd. De Duitsers zetten hun rugzakken tegen de muur en gingen in de rij bij de deur staan, maar pa stond in de deuropening en zei tegen de officier: 'De oorlog zal hier niet over de drempel komen, laat alstublieft uw geweren buiten!' Toen vroeg de officier om een keukenstoel die hij buiten neerzette in de hoek onder het keukenraam. Hij beval een van de soldaten daar op te gaan zitten en op de geweren te passen die achter hem werden neergezet. Toen stapten ze netjes op een rij naar binnen en gingen aan de keukentafel zitten.

Pa zat op zijn eigen plek en herinnerde hen aan onze gewoonte eerst te bidden voor het eten. Ik kan me niet meer herinneren of hij het gebed in het Nederlands of het Duits uitsprak. De buren keken ondertussen over de schutting naar alles wat hier gebeurde. Zonder twijfel ging de roddel door de buurt dat wij vrienden van de Duitsers waren, maar het gedrag van mijn ouders tegenover de Duitsers was onschuldig en menselijk. Ze waren christenmensen die handelden naar de Bijbelse woorden: 'Als uw vijand honger heeft, geef hem te eten'.

 

Aan het eind van de oorlog was ik bijna 12 jaar en ik stond bekend als de bonte hond. Omdat ik vaak teksten uit het Oude Testament citeerde hadden ze me de bijnaam 'Mozes' gegeven. Meer dan eens in de oorlog werden Duitse soldaten overal in de buurt in huizen ingekwartierd. In 1945 'bewoonden' drie soldaten de slaapkamer van mijn ouders; m'n ouders sliepen beneden in de voorkamer.

Het waren een laarzenmaker, een kleermaker en een bediende. Ik kreeg wat van hun oude uniformen en een Duitse helm. Samen met mijn vrienden Theo Liebrand, Gerrit Vriezen en Johan Heusinkveld maakte ik geweren van stukken hout en ijzerdraad en marcheerden we in het gelid richting Boland. Toen we bij de populieren waren dook vanuit de lucht een jachtvliegtuig op ons neer, een geallieerde Spitfire. We moesten snel in de sloot langs de weg springen. De piloot draaide om, met zijn vleugels vriendelijk beduidend dat hij gemerkt had dat we kinderen waren. Dat ging nog maar net goed!...

 

De eerste Canadezen (bedoeld worden Engelsen, red.)  kwamen van de kant van Dinxperlo. Het waren de stoottroepen die de weg moesten banen. De bezettingstroepen kwamen later. In de oorlog hadden de Duitsers de huizen met een van de buitenkant toegankelijke schuilkelder gemerkt met een grote letter K. Zo ook bij ons. In geval van een luchtaanval vluchtten ze daar naar binnen! In verscheidene huizen schuilden nu Duitse soldaten in deze kelders om onderwijl te proberen de Canadese tanks te beschieten met antitankwapens.

Al spoedig gingen de Canadezen schieten op iedereen die maar bewoog in de buurt van die letter K. Toen zij onze buurt naderden was één van de eerste huizen die ze zagen de boerderij van de familie Heersink. Vader Heersink en zijn zoons keken uit het kelderraam en toen ze de Canadezen zagen begonnen ze te zwaaien... De Canadezen zagen die beweging vlak bij het kelderram en vuurden een granaat af die in het kelderraam terecht kwam...

Zoon Johan Heersink werd door een stuk baksteen aan de slaap getroffen. Er was nauwelijks iets van een wond te zien, maar hij was op slag dood. Vader Heersink had een grote wond van zijn wang tot in zijn hals. Zoon Wim werd tijdelijk blind door het rondvliegende stof. Hij rende over het veld naar buurman Boland, die een schuilkelder voor zijn huis had. In de sloot langs de weg zat een Duitse soldaat weggedoken voor de Canadese tanks die net gepasseerd waren. Wim vertelde ons later dat hij niet kon zien waar hij naar toe ging, toen iemand hem bij zijn arm pakte en de weg hielp oversteken... Hij sprak Duits...

Kort daarna kwam een Duitse soldaat bij ons aan de deur. Hij had het over een blinde man en een kapotgeschoten boerderij, maar hij vertelde het zo vaag en verward dat er niet veel van te begrijpen viel. Papa was heel ongerust over het feit dat een gewapende Duitser bij ons voor de deur stond, terwijl er elk moment meer Canadezen aan konden komen. Ze zouden het huis platgeschoten hebben. Papa liet de soldaat snel naar binnen en om hem te kalmeren vroeg hij mama thee te zetten. Ik zat bij de kelderdeur. Ik moest in de kelder blijven, maar ik was een nieuwsgierig kind.

Papa hoorde dat de soldaat uit het Ruhrgebied kwam. Hij haalde wat foto's uit zijn zak om te laten zien. Voor de zekerheid nam papa hem zijn wapens af en legde die op de grond. Hij vroeg mama om het fotoalbum van Mühlheim a/d Ruhr, waar zij vroeger woonden, te halen. Mama zat met de soldaat onder aan de trap. Hij keek met veel belangstelling naar de foto's, omdat hij sommige mensen uit Mühlheim herkende. Ik zat nog steeds bij de kelderdeur, met mijn voeten op de eerste tree. Bob kwam langs me heen met de Panzerfaust en Johan en Ben met de munitie en de granaten. Zij verstopten die in het varkenshok onder het stro...

Kort daarna kwamen er meer tanks uit de richting Dinxperlo. Pa zei tegen de soldaat: 'Doe je helm af en geef jezelf over.' De Duitser zei dat hij versterking van de Duitsers verwachtte en hij dacht dat het Duitse tanks waren. Pa schoof het gordijn voor het kleine raampje van de voordeur aan de kant, keek naar buiten en zei: 'De eerste keer dat ik een Duitser tank gezien heb met een esdoornblad op de voorkant!' Toen zocht de soldaat naar zijn wapens. Pa zei: 'Je bent ontwapend, als je problemen hebben wilt zijn hier genoeg mannen om met je af te rekenen'. Hij antwoordde: 'Jetzt is es verloren.' Maar hij wilde zich niet overgeven; hij vroeg of hij zich ergens zou mogen verbergen. Hij werd toen naar de zolder gebracht en bleef daar tot het donker werd.

Toen alles weer rustig was, ging ik naar de wc. Van daaruit hoorde ik roepen om hulp. We hoorden dat vader Heersink en Johan Heersink bekneld zaten in het puin van hun kelder. Pa, Gerrit en Johan zochten naar breekijzers en hamers en renden naar de overkant van de straat. Toen zag ik Bob achter hen aan rennen met een schoffel. Ondanks alles wat er gebeurde moest ik lachen. Om Bob zo te zien rennen met zijn o-benen was altijd grappig. Maar wat dacht hij te gaan doen met zijn schoffel? Uiteindelijk lukte het hun vader Heersink en het lichaam van Johan Heersink uit het puin te halen. Vader Heersink had een grote wond aan de hals, hij had medische hulp nodig. Het hoofd van de school was door de Duitsers aangewezen als Eerste Hulppost, misschien kon hij helpen? Maar hij weigerde te komen, het was hem te gevaarlijk. Wel mochten we zijn EHBO-trommel gebruiken, dus verbonden ze vader Heersink zo goed als ze konden. Het lichaam van Johan Heersink werd in een van de slaapkamers gelegd, waar het gezin zich rondom hem verzamelde. Pa en de anderen kwamen weer naar huis en vertelden wat er gebeurd was. We waren allemaal van streek. Pa vertelde ons ook dat Wim nog steeds niet goed kon zien en hoe een Duitse soldaat hem geholpen had. Nu snapten we wat de soldaat had verteld over die blinde man. We hadden goed gedaan door hem een schuilplaats op zolder te geven.

Nog meer Canadese tanks kwamen voorbij en we moesten weer de kelder in. De bezettende troepen namen het Duitse hoofdkwartier in de school over. Ik ben altijd al een nieuwsgierige jongen geweest en daarom wilde ik weten wat er allemaal gaande was en ik kroop stiekem uit de kelder. Ik stond bij het keukenraam en keek naar de school toen pa mij zag en mij snel weer naar de kelder haalde. We waren nog maar net bij de kelderdeur toen we een explosie hoorden. Later bleek dat enkele Canadese tanks, die tussen de kerk en de pastorie stonden, werden geraakt door mortiergranaten die werden afgeschoten uit de bunker bij de Stroes, een beek ongeveer een halve kilometer van ons huis. Granaatscherven vlogen overal in het rond, ook rond het nu kapotte keukenraam. Ik had dood kunnen zijn, als ik daar tien seconden langer was blijven staan.....

Een deel van ons dak was ook kapot. De Duitse soldaat kwam naar beneden en vroeg of hij in de kelder mocht komen. Hij zat naast Bob. We vertelden hem dat de blinde man het goed maakte, maar dat zijn vader gewond en zijn broer dood was... Na een poosje viel hij in slaap met zijn hoofd op Bobs knie. Toen het donker was maakten we hem wakker. Hij kreeg iets te eten en pa gaf hem een fiets. We behielden zijn wapens. We vertelden hem waar de bunker was en hoe hij naar Duitsland kon komen. We hopen dat hij het heeft gehaald...



13. Oorlogsverhaal door Gerda Scholl-Jansen
wonende Bontebrug 41, Silvolde

 

Op 10 mei 1940 was ik thuis bij mijn ouders aan de Bontebrug bij Silvolde. Toen het 's morgens licht werd hoorden we veel zware vliegtuigen overkomen. Ze kwamen uit Duitsland. Ik keek uit een bovenraam en zag soldaten die zich schuilhielden langs de beek tegenover ons huis. Het waren Duitse soldaten... De oorlog was begonnen!

In de loop van de oorlog gebeurde er van alles. De plaatselijke school werd door de Duitsers als hoofdkwartier gebruikt. De soldaten kregen een slaapplaats toegewezen in de meeste huizen rondom de school. We gebruikten onze kelder als schuilplaats bij luchtaanvallen en als de situatie gevaarlijk was sliepen daar zelfs mijn ouders en alle kinderen die thuis waren. Soms brachten wel 16 mensen de nacht in de kelder door. Mijn ouders waren de enigen in de buurt die Duits konden spreken. De meeste soldaten waren best wel vriendelijk tegen ons.

Zelfs de officieren kwamen wel eens een avond naar ons toe voor een praatje met mijn vader. Lange tijd na de oorlog kwamen we er achter dat mensen hierdoor dachten dat wij 'fout' waren. Sommigen dachten zelfs dat wij NSB'ers waren, spionnen voor de vijand. Verraders waren er onder de Nederlanders net zo goed als dat er slechte Duitsers waren. Maar er waren ook veel gewone Duitsers die een hekel hadden aan de oorlog en die alleen maar bevelen opvolgden omdat ze gedwongen werden. Mijn vader zei altijd: 'Overal zijn slechte en goede mensen'.

In de winter van 1942 werkte ik op een boerderij in Drempt bij Doesburg. De boerin was Hanne Besselink, ze was nog familie van tante Bets die in Amsterdam een zuivelwinkel had. We stuurden haar daarom vaak boter en eieren, want het voedselgebrek was in de steden altijd het grootst. Mijn zus Tine werkte al sinds haar twaalfde jaar in tante Bets' zuivelwinkel. Zo nu en dan kwam ze thuis om haar ouders te bezoeken te Bontebrug-Silvolde. Dan nam ze altijd een voorraad voedsel weer mee terug naar Amsterdam, zo'n 150 kilometer.

Op een dag kreeg ik de opdracht een koffer met eieren naar Amsterdam te brengen. Ik ging met de tram van Drempt naar Dieren. In die tijd lag er nog een schipbrug over de IJssel tussen Doesburg en Dieren. Het was een heel strenge winter en de rivier was dichtgevroren. De schipbrug, bestaande uit drie gekoppelde schepen, was verwijderd om beschadiging door het ijs te voorkomen. Alle passagiers moesten over het ijs naar de overkant lopen en in de wachtende tram aan de andere kant instappen. Met de eieren en het gladde ijs onder mijn voeten kon ik mijn hart horen kloppen bij elke stap!

Vanaf Dieren nam ik de trein naar Arnhem, waar ik moest overstappen. Via Utrecht ging de trein naar Amsterdam. In de trein zaten veel Duitse soldaten, ze hadden zonder opgaaf van reden mijn bagage kunnen doorzoeken, en als ze de eieren hadden gevonden dan hadden ze mij die zeker afgepakt. Een andere angst was dat de trein door de geallieerden gebombardeerd zou kunnen worden... Ik was blij toen ik veilig in Amsterdam was aangekomen. Die nacht bleef ik slapen bij tante Bets en ging de volgende dag weer naar Drempt terug. In voelde me meer op mijn gemak nu de eieren afgeleverd waren. Die tocht over de bevroren rivier de IJssel zal ik nooit vergeten!

's Nachts luisterde ik naar de grote bommenwerpers van de geallieerden, die laag overkwamen op weg naar Duitsland. Op een dag was ik aan het werk op het land vlak bij de boerderij, toen ik twee jachtvliegtuigen boven me zag, een Engels en een Duits toestel. Ze schoten op elkaar en het Duitse vliegtuig werd getroffen. Het toestel kwam naar beneden; het leek of het recht op me af kwam. Ik rende naar de boerderij en viel letterlijk met de deur in huis, plat op de vloer. Het vliegtuig dook met de neus in een dam, ongeveer honderd meter van de boerderij. Toen we naar buiten kwamen konden we het toestel zelfs niet meer zien, het was zo hard op de grond neergekomen dat het in de modder begraven lag. Later is het opgegraven.

In 1944 woonde ik in Silvolde waar ik werkte als huishoudster bij de heer Gerritsen, een man die hulpbehoeftig was. Het was ongeveer drie kilometer van mijn ouderlijk huis aan de Bontebrug. Op een dag fietste ik naar huis toen een vrachtwagen met Duitse soldaten mij passeerde. Ik hoorde het geluid van een gevechtsvliegtuig en de vrachtwagen stopte. De soldaten renden naar de eenmansgaten die langs de weg  gegraven waren en sprongen er in. Het gebeurde vaker dat geallieerde vliegtuigen Duitse vrachtwagens beschoten. Voor de zekerheid gooide ik mijn fiets aan de kant en sprong in een gat vlak naast hen...

Het hele land was nog niet bevrijd, toen ik met Jan Scholl trouwde. Mijn verjaardag, 25 april, werd onze huwelijksdag. De meeste familieleden woonden vlakbij aan de Bontebrug. Mijn man's familie woonde in Groenlo en moest ongeveer 35 kilometer reizen. Openbaar vervoer was er niet meer en moeder Scholl, die bijna nooit buiten Groenlo kwam, kon niet fietsen. Dus ze liep het hele stuk! Op de terugweg kon ze gelukkig meerijden met een paard en wagen. Er was natuurlijk niets bijzonders te krijgen om te eten. Ik droeg een zwarte trouwjurk, omdat dat de beste jurk was die ik kon krijgen. Het was een heel eenvoudige bruiloft.

We hebben veel ellende gezien in de oorlog. Hongerige mensen uit de steden in het westen, die meer dan honderd kilometer liepen met een kar of een kruiwagen om wat spek of wat aardappels te kopen bij de boeren. Wij hadden nog geluk dat we in het oosten woonden. Ik heb veel mensen gekend die iemand in hun familie hebben verloren, maar van onze families overleefde iedereen de oorlog.

 


14 Oorlogsverhaal door Jan Scholl

In mei 1940 werkte ik op de boerderij van Gerrit Jan Bisperink in Geesteren bij Borculo. We hoorden veel vliegtuigen overkomen en we zagen groepen mensen lopen over straat. De boerderij lag meer dan 200 meter van de weg af, dus besteedden we daar weinig aandacht aan. Pas later hoorden we via de radio dat de Duitsers ons land overvallen hadden en dat we dus in oorlog waren...

De eerste tijd veranderde er eigenlijk niets, niemand scheen veel aandacht te hebben voor deze rustige boerenstreek. Daarom werd de boerderij een geschikte plek om mensen te verbergen die door de Duitsers werden gezocht. De onderduikers hielpen gewoon met het werk op de boerderij, maar verdwenen in hun schuilplaats als het niet veilig was. Sommige mensen van het verzet werden dubbel-agenten, die deden alsof ze de kant van de Duitsers hadden gekozen, maar in werkelijkheid ons waarschuwden als de vijand dichtbij kwam. Een heel systeem van waarschuwingssignalen werd opgezet.

Een van zulke mensen die als onderduiker op onze boerderij kwam was Bob Erdtsieck. Hij was jeugdwerker van het Christelijk Jongeren Verbond (CJV) te Amsterdam. Als alles veilig was sliep hij bij mij op de kamer. Ik had een foto van mijn meisje Gerda Jansen en ook een foto van haar zuster Mimi. Bob wilde haar ontmoeten, maar het was te gevaarlijk voor hem. Ik had vrijstelling als boerenknecht, dus ik kon veilig op mijn fiets van Geesteren naar de Bontebrug rijden, de gebruikelijke route om Gerda te zien en ik bracht Mimi mee terug. Het heeft Bob een tabaksbon gekost! Bob en Mimi ontmoetten elkaar in het bos achter de boerderij. Ik denk dat ze zelfs al verliefd op elkaar waren voordat ze elkaar ooit gezien hadden. Later 'verhuisde' Bob naar de Bontebrug om dichter bij Mimi te zijn.

In 1942 wilden de Duitsers meer arbeiders om loopgraven te maken in de streek zo dicht bij de Duitse grens. Op elke boerderij mocht een zoon of knecht blijven werken. Alle andere arbeidskrachten moesten zich melden voor werk voor de Duitsers. Bisperink had een zoon en die mocht natuurlijk blijven, dus ik moest gaan. Maar ik had geluk, een broer van een buurman was gestorven en liet een vrouw na met twee kinderen, op een boerderij in Holterhoek tussen Groenlo en Vreden (Duitsland). Ik kreeg een arbeidsvrijstelling om bij die weduwe op haar boerderij te werken.

Zolang ik een vrijstelling als boerenknecht had kon ik gaan en staan waar ik wilde tijdens de weekenden. Vaak zat ik uren op de fiets om Gerda te kunnen zien. Ik moest uitkijken voor luchtaanvallen, maar verder waren deze tochten geen probleem. Behalve een keer toen ik langer gebleven was dan gebruikelijk. De Duitsers hadden een avondklok ingesteld. In Silvolde was dat tien uur 's avonds, maar op de terugweg kwam ik door Lichtenvoorde waar je al om acht uur binnen moest zijn. Ik had de pech dat ik aangehouden werd en opgesloten in de cel van het gemeentehuis. De volgende morgen lieten ze me gaan.

Sommige weekenden ging ik naar mijn moeder in Groenlo. Dat was een stuk dichter bij de boerderij waar ik werkte. Enkele Duitse soldaten waren bij mijn moeder ingekwartierd. Daar ontmoette ik Fritz. Hij was de beste Duitser die ik ooit ben tegengekomen. Zijn volledige naam was Friedrich Hess en hij kwam uit Keulen. Hij sliep in mijn bed en als ik thuis was deelden wij mijn oude bed. Ik wenste dat ik zo'n broer had. Hij bracht altijd wat eten mee voor het gezin. Hij rookte niet, maar spaarde zijn voorraad sigaretten en ruilde die voor brood voor ons. Soms escorteerde hij mijn zuster Christien of mij als we uit wilden gaan na spertijd.

Toen ik tegen het eind van de oorlog een vrije zondag thuis was hoorden we dat Fritz orders kreeg om met zijn legeronderdeel naar Arnhem te vertrekken, om de brug tegen de optrekkende geallieerden te verdedigen. Voordat hij vertrok vroeg hij of er niemand in de woonkamer wilde komen voor hij vertrokken was. Zijn laatste woorden waren: 'Viel Glück in das Leben, wenn du verheiratet bist mit deine liebe Frau.' Daarna vonden we in de woonkamer voor ons allemaal een cadeautje. Na de oorlog heb ik nog contact met hem gezocht, maar zonder succes...

In 1944 was ik boerenknecht bij Rika Klumpers in de Holterhoek. Haar zoon werd 16 jaar, dus moest ik vertrekken omdat ik geen meer arbeidsvergunning meer had. Op de boerderij van Rika Klumpers waren al enkele vluchtelingen verborgen, waaronder enkele Joden, dus bleef ik op de boerderij werken, maar moest ik me schuilhouden als er Duitsers of niet te vertrouwen Nederlanders in de buurt waren.

Een Joods gezin had een schuilplaats onder een oude hut in het bos, ver van de boerderij. Onder de vloer was een keldertje gegraven, dat van de binnenkant afgesloten kon worden. Het gat was niet eens groot genoeg om rechtop in te kunnen staan en was alleen bedoeld om korte tijd te gebruiken.

Behalve ikzelf waren op de boerderij twee onderduikers die niet voor de Duitsers wilden werken. Dat waren Gerhard Kuiper uit Enschede‚ en Jan Geurink uit Aalten, die later naar Australië emigreerde. We bleven behoorlijk dicht bij de boerderij zodat we gemakkelijk konden verdwijnen in de schuur en de stallen en ons in het hooi konden verstoppen. Later werden de Duitsers argwanend. Ze zeiden dat ze terug zouden komen om de hele boerderij nauwkeurig te  onderzoeken en als er iemand gevonden zou worden, dan zouden de weduwe en de kinderen doodgeschoten en boerderij in brand gestoken worden.

Het Joodse gezin bleef in zijn kelder. We brachten hen zo nu en dan eten. We wisten dat zij ter plekke doodgeschoten zouden worden als ze gevonden werden, maar wij hadden een goede kans om te overleven, want ze (de Duitsers) wilden graag mannen die konden werken.

Ongeveer een week later zagen we hen komen: een groep Nederlanders die niet te vertrouwen was. Eén van hen kende ik, voor de oorlog had ik zelfs met hem gekaart. Ze waren gewapend en zagen er gevaarlijk uit. We wisten wat we moesten doen: met z'n drieën renden we weg van  de boerderij waar ze ons goed konden zien. De list werkte, ze kwamen ons achterna en hebben daarna de boerderij niet meer doorzocht. Ze schoten op ons, maar gelukkig werd niemand getroffen. Toen gaven we ons over. We werden naar Meddo gebracht, waar in de school het Duitse hoofdkwartier was. Ze sloten ons op op de zolder en gaven ons alle drie een strozak om op te slapen. Het was ijskoud, het was in december. We hadden warme winterjassen, maar die hadden we beneden in moeten leveren. De volgende dag werden we naar Eibergen gebracht, waar we beter behandeld werden, daar kregen we tenminste een bed en wat te eten. De dag daarop brachten ze ons naar Vreden in Duitsland, waar we in een school konden slapen. Elke dag moesten we loopgraven maken langs de grens aan de Duitse kant. Ze dachten dat ze die nodig zouden hebben, als ze gedwongen zouden worden zich terug  te trekken naar hun eigen land. Gelukkig hoefde ik hier maar drie dagen te werken, want toen was het Kerst en mochten we enkele dagen naar huis. Ik ben daarna niet meer teruggegaan.

Voor de Kerst ging ik naar Gerda Jansen, mijn vriendin. Haar ouders woonden aan de Bontebrug bij Silvolde. Haar vader en twee toekomstige zwagers, Gerrit te Ronde en Bob Erdtsieck, moesten ook met een groep in deze buurt loopgraven maken. Omdat ik niet wist waar ik nu nog kon onderduiken ging ik met hen mee. We moesten twee weken werken en hadden dan een week vrij. Dit deden we tot maart 1945. We werkten zo langzaam als we maar konden. Als de opzichter keek groeven we een gat en als hij niet keek gooiden we het weer dicht...

De laatste tijd van onze graafwerkzaamheden moesten we eenmansgaten graven langs de weg van Terborg naar Varsseveld. Deze gaten waren groot genoeg om in te schuilen bij een luchtaanval en werden op zekere afstanden van elkaar gegraven. De ploeg stond onder leiding van Duitse soldaten.

Op een morgen waren ze erg zenuwachtig en even later zeiden ze ons dat we gewoon moesten doorwerken als ze afwezig waren. Toen gingen ze weg en we hoorden van andere mensen dat de geallieerden dichtbij kwamen. We lieten ons gereedschap vallen en probeerden naar huis te komen. We dachten dat het niet veilig zou zijn als ze  ons op de weg zouden zien, omdat de geallieerden uit zouden kijken naar vluchtende Duitsers. We lieten onze fietsen bij de dichtstbijzijnde boerderij achter en renden dwars door de velden. We splitsten ons in kleine groepjes om niet gezien te worden. Eerst waren we met z'n drieën, maar naderhand liep ik nog alleen verder onder de bomen langs de sloot. Ik ging naar Silvolde naar het huis van Gerritsen waar ik wist dat Gerda zou zijn. We schuilden in de kelder, samen met een echtpaar uit Groessen dat ondergedoken was. De familie Gries, onze buren, was gevlucht omdat hun huis precies in de vuurlinie lag tussen de Duitsers en de naderende geallieerden. De volgende dag was het Goede Vrijdag...

Silvolde, Goede Vrijdag 1945. De straat was vol mensen die feest vierden met brood, snoepgoed en sigaretten, die werden uitgedeeld door de Canadezen. Uit de richting van Terborg kwam een Duitse granaat die op een veld dichtbij explodeerde. Voordat je tot drie kon tellen was er niemand meer op straat. Op de Boterweg reden twee Duitsers op de fiets. De één gaf zich over aan de Canadezen, de ander niet, hij werd doodgeschoten...

 


15 Oorlogsverhaal door Bob Erdtsieck

Een poos zat ik ondergedoken in de Achterhoek, om te voorkomen dat ik voor de Duitsers zou moeten werken, maar ze dreigden tien gijzelaars dood te schieten als er niemand op kwam dagen. Dus meldde ik mij voor het werk. Eigenlijk was dat zo slecht nog niet, want we hoefden er niet ver voor te gaan en konden 's avonds weer naar huis gaan. Na twee weken werken kregen we een verlofpas voor een week vrij. Soms gebruikte ik mijn verlofpas om een voedselpakket naar Amsterdam naar mijn ouders te brengen. We hadden geen vetpot, maar op de meeste boerderijen konden we nog roggebrood, worst en eieren kopen. Op een keer reed ik naar Amsterdam op een fiets met een mand voorop en de luxe van een luchtband. De achterband was massief (een reep autoband). Ik reed door Doesburg, Arnhem en Utrecht.

Ik was een gezonde jongeman en de tocht van ongeveer 150 kilometer was niet zwaar voor mij. De weg van Arnhem naar Oosterbeek was eng. Daar woonde niemand meer, daar hadden ze heel zwaar gevochten met de Slag om Arnhem. Veel huizen waren verlaten met de deuren open. Winkelruiten waren kapot en de etalages leeggeroofd. Ik was blij dat ik er voorbij was.

De nacht bracht ik met nog tien andere reizigers door op een boerderij. We sliepen in de schuur. De bewoners waren blij dat ik m'n eigen eten bij me had. Ik sliep vlak naast m'n fiets en m'n mand, dat waren kostbare bezittingen in die dagen! De volgende dag bereikte ik Amsterdam en natuurlijk waren mijn ouders ontzettend blij met het voedsel.

Ik voelde me helemaal niet op m'n gemak in de grote stad en ik wilde zo snel mogelijk teruggaan. Toch verheugde ik me niet erg op die lange terugreis. Iemand vertelde me dat goederentreinen die 's nachts gingen soms passagiers die een pas hadden meenamen. Ik nam de gok en zei tegen de Duitse commandant dat mijn fiets 'kaput' was. Tot mijn verwondering was dat geen probleem. Ik moest 's avonds om zes uur op het Centraal Station zijn.

Het station zag er erg verlaten uit, behalve dan een lange goederentrein met achteraan een personenwagon, compleet met luchtafweergeschut. Met mijn fiets mocht ik instappen. Het was een lange reis, niet sneller dan 30 kilometer per uur. Op elk station stond de trein zeker wel een half uur stil. We kwamen door Hilversum en Baarn en 's nachts om twaalf uur stond ik op het perron in Utrecht om over te stappen. Het was pikkedonker en we hoorden vliegtuigen in de lucht.

Plotseling realiseerde ik me hoeveel risico ik bij dit avontuur liep. De geallieerden bombardeerden vaak treinen en stations en misschien zouden de rails opgeblazen worden door een verzetsgroep. Maar de trein kwam het station binnen en we moesten in de goederenwagon instappen. Geen personenwagon bij deze trein. Omdat er overdag heel weinig treinen reden in deze fase van de oorlog waren er veel mensen die van deze nachtdienst gebruik maakten. De trein was behoorlijk vol. Weer hetzelfde liedje, een lange reis met lange stops. We wisten echt niet waar we waren, totdat de deuren de volgende dag werden geopend. De trein zou pas de volgende dag verder gaan. Ik was opgelucht toen ik ontdekte dat we in Zutphen waren, 30 kilometer van huis. Mensen die naar het noorden moesten waren erg teleurgesteld. Ik stapte op m'n fiets en reed naar huis. Dat was de laatste keer dat ik die reis maakte, want spoedig daarna hielden de Duitsers alle mensen aan die de IJssel over wilden steken.



16. Oorlogsverhaal door Co Jansen

Toen het oorlog werd was ik pas drie jaar oud, dus kan ik mij van de eerste jaren weinig herinneren. Ik groeide op met Duitse soldaten in huis. Ze gingen goed met me om; als een klein meisje met rood krullend haar was ik nogal populair. Als het veilig was zat ik op hun knie en kletste met hen in de altijd druk bezette huiskamer. Soms gaven ze me chocolade. Ik was me van geen gevaar bewust en voor mij was het een nogal onbezorgde kindertijd.

Als het niet veilig was moesten we in de kelder blijven. Daar sliepen we dan ook allemaal, behalve de oudere jongens, die boven sliepen, als hun bed tenminste niet door soldaten bezet was. De kelder was bestemd om eten te bewaren, maar het is verbazingwekkend hoeveel mensen erin passen. De drie jongste kinderen, Willy, Henk en ik, sliepen in de lege spekkuip. De oudste meisjes sliepen boven op de aardappels. Ik denk dat het Mimi was, die eens haar hoofd stootte tegen de steun van een plank boven haar. Ze had een flinke hoofdwond. Op grondhoogte zat een raampje dat papa kleiner gemaakt had om de kou tegen te houden, maar daarna moest hij het weer groter maken, omdat in geval van nood sommige van mijn oudere zusters er niet door konden.

Op een dag kreeg ik een nieuwe rood-groene trui. Ik denk dat mijn grootmoeder die gebreid had. Mama had hem weggelegd en beloofd dat ik hem op zondag aan mocht. Maar op die zondag werd er in de buurt hevig gevochten. Ik voelde me zwaar beledigd omdat ik mijn trui niet mocht dragen. Mama had hem in haar slaapkamer naast de woonkamer in de kast gelegd, maar ze zei dat het te gevaarlijk was om hem te halen.

De oudere jongens hadden een keer een veldtelefoon te pakken gekregen. Ze praatten erdoor met de jongens van Hammink. Ik dacht dat ze konden toveren, omdat ze elkaar konden verstaan, terwijl ze minstens een halve kilometer van elkaar verwijderd waren.

Toen ik zes was ging ik naar school. In rustiger tijden werd les gegeven in het zaaltje achter de kerk. Onze school was bezet door Duitse soldaten. Op een dag hielp ik mijn moeder in de keuken met afdrogen. Plotseling deed ze haar handen voor haar ogen en riep: 'Oh, daar gaat er weer een!' Een soldaat die zich schuilhield in een eenmansgat tussen ons huis en de buren werd door een kogel getroffen. Gelukkig was ik te klein om door het raam boven het aanrecht te kijken... De zwager die Pa, Johan en Ben ging halen, toen ze bij de brug waren, was Gerrit te Ronde; ik herinner mij dat hij mij later het verhaal heeft verteld. Dat de kerk in brand stond, heb ik gezien door het keukenraam. Ik zag dat de toren instortte.

Ik stond achter papa toen er hard op de voordeur geslagen werd. Toen pa de deur opende stormde een Duitse soldaat naar binnen met een Pantzerfaust, een antitankgranaat in zijn hand. Papa nam hem die af. Ik weet niet wat er toen gebeurde, maar heel snel daarna kwamen de Canadese tanks. Mijn zus Rina en haar vriend Gerrit te Ronde gingen weg naar zijn ouderlijk huis. Gerrit vertelde mij later dat ze na een paar honderd meter lopen moesten rennen om te schuilen in de kelder van meester Westerveld, naast de school. Het Canadese leger nam de school over en een paar Duitse soldaten waren nog binnen. Na een poosje was alles rustig en Gerrit zag op het schoolplein een rij Duitse soldaten staan met hun gezicht naar de muur. Ze waren onbewapend.

Niet lang daarna kwamen ook nog enkele van mijn oudere broers naar de school om te zien wat er gebeurd was. Ze stonden bekend als nieuwsgierige kinderen en met Gerrit gingen ze de lege school binnen. Ze vonden repen chocola en een groot stuk ham, dat ze in een witte regenjas wikkelden en mee naar huis namen. Terwijl de Canadezen het Duitse hoofdkwartier overnamen gingen onze jongens er met de ham vandoor!

Later op die dag zat de Duitse soldaat nog steeds in onze kelder, terwijl de Tommies in de kamer zaten. Ik weet niet of het Engelsen of Canadezen waren, we noemden iedereen die Engels sprak een Tommy. Ik was bij hen net zo populair als bij de Duitsers.

De Duitse soldaat zou door de kamer moeten gaan om te ontsnappen. Mijn broer Gerrit had al een keer in de pyjama door de kamer gelopen om naar de wc te gaan, hij voelde zich niet zo lekker. Papa vroeg de soldaat in de kelder om zijn uniform te ruilen voor Gerrits pyjama en hij wandelde zo door de kamer, met zijn hoofd naar beneden. Papa volgde met zijn uniform in een emmer, met daar bovenop wat aardappels uit de kelder. Ze liepen rechtdoor naar het varkenshok, waar de soldaat zijn uniform weer aantrok en achter over het land ontsnapte...

Een tijdje na de oorlog kwam een groep jonge Duitsers ons bezoeken. één van hen, Herbert genaamd, was hier in de loop van de oorlog geweest. Hij vroeg of hij een fiets kon lenen om mensen in Amsterdam te bezoeken. Mijn zus Nelly vertelde me dat ze de fiets een paar dagen later netjes terug hebben gebracht...

 


17. Dagboekaantekeningen 26 maart tot 1 april 1945  door A.J. (Jan) Barink
wonende Ulftseweg 110, Silvolde

Regels vooraf

Wat is er op deze Goede Vrijdag, de 30e maart 1945, gebeurd? Om dat te kunnen beseffen moeten we vijf jaren terug gaan. 10 mei 1940, of eigenlijk één dag eerder, donderdag 9 mei 1940. Er was spanning op politiek gebied. De Duitsers hadden Noorwegen na Denemarken bezet. Het Engelse expeditieleger bij Narvik was verslagen. De Duitse oorlogsmachine bleek sterk te zijn. Dat die oorlogsmachine weldra over ons land zou rollen geloofde niemand, althans weinigen. Ons leger was immers klaar. We hadden toch de Hollanse Waterlinie! In 1914 hadden de Duitsers het toch ook niet gewaagd ons land binnen te vallen. Je moest maar eens in de kranten lezen hoe goed onze kazematten en mitrailleursnesten in kippenhokken e.d. waren gecamoufleerd!

Welk een ontnuchtering volgde. De vijand bleek nauwkeurig op de hoogte te zijn met de ligging, sterkte enz. van onze vestingwerken. Slechts een klein deel van ons leger verdedigde met leeuwenmoed ons Hollands erf. Velen van hen zijn gevallen. Wij gedenken hen in stillen eerbied, zij die ons land verdedigden tegen een tiran, die vijf jaar lang ons volk zou onderdrukken, onze rechten met voeten zou vertreden en ons land aan de rand van de afgrond zou brengen.

Aantekeningen per dag (met tussen haakjes latere aanvullingen van de schrijver)

Maandag 26 maart:
Slapen 's nachts in de kelder vanwege artillerievuur, mitrailleurvuur en vliegtuigen.
(Op 23 maart  hadden de Engelsen c.s. na zware bombardementen en met parachutisten de overtocht over de Rijn bij het Duitse plaatsje Millingen tussen Rees en Emmerich geforceerd)

Dinsdag 27 maart:
Circa 2.30 uur 's nachts, granaten Varsseveldseweg, eind Rabelinkstraat. Todtman en Rotterdamse dwangarbeider (Jan Dukel) gedood. Splinters in de bomen.

Woensdag 28 maart:
Mitrailleurs en pantserafweergeschut zijn te horen, vooral 's avonds.

Donderdag 29 maart:
Geen aantekeningen.

Vrijdag (Goede Vrijdag) 30 maart:
(Circa 11.00 uur Lensink 'Nagel' afgebrand. Ongeveer 15 Moffen in huis. Verbrandt?

Circa 11.30. Colenbrander 'Nachtegaal' afgebrand; door Duitsers in brand geschoten)

Circa 14.00 uur. Twee Moffensoldaten (één met een ijzeren kruis (Rusland)) komen thuis uitrusten. Ze moeten volgens hun zeggen vannacht naar het front op het Nieuwdorp-Bontebrug. Vertrekken na gegeten te hebben, niet zwaar gewapend (geweer en machinepistool) richting Ulft. Komen even later in snelle pas terug richting Silvolde.

Circa 15.00 uur. Laatste Moffen gezien. Gaan met Pantzerfäuste en geweren de Galgenberg in.

(Circa 15.00 - 16.00 uur n.m. De Engelsen schieten granaat af tegen kelderraam boerderij Heersink. Johan Heersink gedood. Wim Heersink aan ogen gewond)

Circa 16.00 uur. Duitse officier en Todtkerels (Duitsers) worden beschoten voorbij café‚ Gries. Hals over de kop weg!

(Circa 16.00 - 17.00 uur n.m. Boerderij Ome Gerrit (Barink-Veldhorst) afgebrand.

Circa 17.00 uur n.m. Op de Galgenberg wordt een rood vlaggetje gezien. Twee tanks, twee wagentjes (carriers)  en 30 stootmanschappen. Wagens schieten zo uit de flank. Rijden heel soepel, bijna geruisloos)

Circa 17.00 uur n.m.
BEVRIJD!

(Circa 18.30 uur n.m. Richting Bontebrug felle brand; kerk, pastorie en huis Oberink in brand, door in brand schieten van twee Engelse munitiewagens. Schuur Veenhuizen verbrand.

Om ongeveer half vier (15.30 uur) waren we de kelder in gegaan. Op straat is alles uitgestorven. 't Gaat er buiten geheimzinnig toe. We horen mitrailleurs. De Tommies komen! Gerrit ergens tussen Silvolde en Terborg bij de Todt. In de kelder wachten we maar in angstige spanning. De bevrijding zal dan toch eindelijk komen! Moffen hoor je niet meer. Misschien dat er enkele 'vuurvreters' op de loer liggen; de meesten zijn echter maar de benen gaan nemen. Er waren overigens niet veel Moffen meer de laatste dagen; één à twee maanden geleden waren er massa's.

Plotseling horen we in de kelder het zachte gezoem van de motor van een auto of zoiets. Zouden dat Engelsen zijn? We kunnen het niet geloven! Dan is er een paar maal fel mitrailleurgeknetter richten Te Grotenhuis (Konterboer). Ik hoor nog meer motoren. Een stem: 'William'! Daar zijn ze dus werkelijk!

Grote dankbaarheid en tegelijk angstige spanning vervullen ons hart. Ik kan me niet bedwingen. Als het een beetje stil is ga ik uit de kelder naar boven, kijk door het raam van de waskamer. Zie niks, dan sluip ik naar de varkensschuur. Heel voorzichtig kijk ik door het raam richting de Galgenberg; zie nog niks. Plotseling stuiten mijn ogen op een pantserwagen bij Ten Holder. Er staat een witte ster op. Bovenop zie ik een soldaat liggen. Ik ga terug naar de waskamer. Kijk nog eens door het raam. Roep anderen uit de kelder.

Twee wagentjes rijden de Bergstraat op. Er ligt een soldaat op achter een mitrailleur. De chauffeur en telefonist liggen er plat in. Ze schieten richting Hein Schepop. Blijkbaar bieden drie Moffen achter de heuvel enig tegenvuur. Wanneer ze daar tot zwijgen gebracht zijn (ze gaan poten) komen nog een paar wagentjes (ook een Rode Kruiswagen), terwijl de tank, die voor Ten Holder en Zwarts stond, verder rijdt.

In de buurt komen de mensen langzaam voor de dag. Piet Gorter bazuint: 'Ze zunt den Dommen Anleg op!' Onder aan de Bergstraat (Dommen Anleg) staat ook een troepje mensen.

Plotseling in de richting Ulft wijzend: 'Daor hei-j ze an!' Een gejuich gaat op! Door 't enthousiasme beseft geen van ons aan welk gevaar we ons bloot stellen!

Bij Veenhuizen staat een zware tank. Een 25 man stoottroepen (gebruinde kerels van verschillende grootte, sommigen met brillen), gewapend met stands (geweren), machinegeweren etc. komt aanlopen, achter elkaar. Ze kijken goed uit; o.a. de tramwagons worden gecontroleerd. Middenin loopt een telegrafist. Hij heeft een toestel met spiraalveer, antenne, op de rug en praat aan één stuk door, terwijl hij goed rond ziet.

De ontmoeting onder aan de Bergstraat is aller-vriendschappelijks. 'Janman' Holthausen en Gerrit Breukelaar vliegen elkaar om de hals en dansen een rondje, terwijl ze een Tommy op de schouder kloppen, zodat deze er nog wel even aan voelen moet! Spontaan haalt één der stoottroepers een blikje cigaretten tevoorschijn en slingert ze over de straat. 't Is net een toom biggen die in een te kleine bak gevoerd worden, zo worstelen ze tussen de Tommies en de cigaretten. De eerste goeie Tommy-cigaretten! Ondertussen wordt het donker. We praten nog even met elkaar en komen dan weer tot het besef dat het eigenlijk nog veel te gevaarlijk is buiten.

'Two days in the cellar' hebben de Tommies gezegd. Ome Gerrit z'n boerderij zou in brand staan. De schuur (zaadberg) bij Veenhuizen staat in brand. Richting Nieuwdorp is een felle brand. 't Knettert geweldig! Rode gloed in de donkere avond. We denken dat heel Nieuwdorp afbrandt. 't Blijkt later onze kerk, pastorie en het huis van Oberink te zijn geweest.

Gerrit kwam 's nachts niet thuis. Van Gestel, die bij hem was, heeft ons gezegd dat ze bij de Todt allemaal zijn weggelopen. Hij is Gerrit kwijt geraakt. Vermoedelijk bij Neijland. Hij komt de volgende morgen terug. Is bij Neijland op de Munsterman geweest in de kelder. Daar is hard geschoten. Maurits Wissink z'n boerderij is afgebrand)

Zaterdag 31 maart.
Herhaaldelijk slaan er granaten van de Duitsers in Silvolde in, vooral in de Veldstraat (Prins Bernhardstraat), vanwaar de meeste Engelsen kwamen. (Dit schijnt ook daardoor gekomen zijn omdat enige Duitsers zich lang boven in de R.K.-toren verschanst hadden en berichten doorgaven aan hun artillerie) We kunnen ons niet buiten wagen. Telkens komen zes granaten (stuk of zes-zeven tegelijk) aanfluiten en slaan ergens in, o.a. in de voorkamer bij Seesink, bij ons vijftig meter achter het huis (60 stuks), bij Lubbers (rand van het dak), bij Ebbers (been verbrijzeld), bij Meijer (vrouw gedood), bij Berkelder (gedeelte kap van 't dak), achter Harmelink, op 'de Bult' achter Eelderink.

Deze dag komt er niet veel oorlogsmaterieel. In de namiddag graven de Tommies zich in de Galgenberg in. Even denken we dat de Tommies terug moeten. Doch 's avonds komen er meer tanks en soldaten. Als 't donker is verlichten vier grote schijnwerpers de hele West-Achterhoek (staan ongeveer bij Rees-Millingen, of misschien wel over de Rijn). 's Nachts wordt er fel geschoten richting Terborg, Etten, Azewijn.

De Duitsers hebben volgens zeggen, met ongeveer vijftig man, een tegenaanval gedaan bij Reijrinks Molen. Ze zouden gekomen zijn tot Kemperman (Holtpaats). Ze moesten terug. Reijrinks Molen is door een tank onophoudelijk beschoten; hij blafte maar door. Boven in de molen zouden nog Duitsers gezeten hebben. Beneden zaten burgers, waaronder Te Grotenhuis van de 'Brunsink'. Die hebben angst uitgestaan! 't Is goed gegaan!

 

Zondag 1 april, Eerste Paasdag:
Er komt enorm veel oorlogsmateriaal. Kleine tanks (door de bevolking 'hobbelpaardjes' genoemd), zware tanks, kanonnen, auto's van het Rode Kruis, munitiewagens enz. enz. Dit is een gedeelte van het Eerste Canadese Leger. Er is ook een afdeling Polen bij. Een gedeelte blijft aan de kant van de weg staan. Een troep Duitse krijgsgevangenen komt voorbij marcheren. Heel deemoedig! Een Canadees op motor met 'stand' erachter. Wat een verschil, die vieze Moffen in hun 'Feldgrau' van allerlei soort en daartegenover die tot in de puntjes verzorgde Canadese troepen!

Op de Bergstraat staat een 'hobbelpaardje'. De mensen lopen er omheen met eieren om te ruilen voor zeep, cigaretten enz. De cigaretten worden ook wel verkocht voor twee tot vier gulden per 25 stuks. 't Schijnt wel markt te zijn! Op 't laatst zijn de Canadezen uitverkocht. De kinderen trekken de soldaten aan de mouwen: 'Cikkerets?, Soop?' Antwoord: 'No, no'.

's Middags denderen de zware tanks, de bemanning er wuivend bovenop, uren aaneen voorbij. De Moffen zijn nu voorgoed weg; ze zullen misschien nog wel hard moeten lopen met de in Silvolde gestolen karretjes en hun 'Pferdegespanne' met hun afgejakkerde paarden!



18. Oorlogsherinneringen Kroezenhoek-Silvolde  door Theo Steverink van Nelles

Op de 10 de mei 's morgens vroeg kwamen de Duitse soldaten bij ons langs, sommigen op fietsen, anderen met paarden en wagens en geschut. Op dat moment hadden wij er helemaal geen last van. In de Achterhoek is in het begin van de oorlog niet gevochten. De Duitsers konden zo doorlopen tot aan de Grebbeberg. Daar boden onze militairen enige weerstand, maar tegen zo'n overmacht, daar hadden ze schijnbaar niet op gerekend. Er bestond ook nog een Hollandse Waterlinie, maar ook die had in die eerste dagen van de oorlog niet het verwachte resultaat. Rotterdam werd gebombardeerd en toen was Nederland heel gauw in handen van de
Duitsers. In onze omgeving was al heel gauw bekend welke personen het met de Duitsers hielden. Sommigen kwamen er recht voor uit, dus echte NSB-ers, maar er waren er ook die stonden, zoals wij dat noemden, in de grondverf. Voor dergelijke lieden
moest je oppassen, die konden je zomaar verraden. Al met al was Nederland in vijf dagen door de Duitsers bezet.

Wat eten en drinken betreft was er op de boerderij altijd genoeg te krijgen. Heel veel artikelen waren op de bon. Elk gezin kreeg een aantal bonnen toegewezen, waar je een beperkt aantal producten op kon kopen. Het geld was in de oorlog van zink.
Tabak was ook op de bon. Ik ken ze nog, Consi-sigaretten. Wij verbouwden ook zelf tabak, het was een mooie grote plant, kon wel twee meter hoog worden. De bladeren van de tabak werden aan elkaar geregen aan een touwtje en werden in de open schuur gedroogd. Als ze droog genoeg waren kon je ze laten fermenteren, dan kreeg je echt een mooie kleur tabak.

In 1942 moest ik in de arbeidsdienst, zoals dat toen genoemd werd. Dat was een soort militaire dienst, in het leven geroepen door de Duitsers. Ik had daar geen zin in, dus ging ik een adres zoeken waar ik kon onderduiken. In dit geval was dat bij een achterneef van mij in Netterden, vlakbij de Duitse grens bij Emmerich. Dit was ook een gemengd boerenbedrijf.

De oorlog verliep aanvankelijk betrekkelijk rustig. Er waren maar twee wegen die naar Netterden voerden, een vanuit Gendringen en een vanuit Azewijn. Ik vertel dit omdat in die tijd de NSB-ers af en toe razzia's hielden om onderduikers op te sporen. De afspraak was, als er van die lui richting Netterden gingen, werd er meteen een seintje doorgegeven en kon iedereen zich verstoppen. Zo gebeurde het op een avond - wij waren aan het rozenkrans bidden (kun je je dat voorstellen ?) - dat de buurman, ook onderduiker, mij kwam waarschuwen. Samen doken wij de gierkelder in.

Dit moet ik even uitleggen: in de zomer was de gierkelder meestal leeg, wel bleef er altijd een laagje gier in staan. Dus met laarzen aan en zittend op een melkstoeltje viel dat mee, totdat het sein "veilig" kwam. Er waren daar
toentertijd ook Duitse Soldaten ingekwartierd, maar daar hadden wij
geen last van.

In die dagen heb ik nog een dag in de gevangenis gezeten. Dat was op het politiebureau in Ulft. Dat kwam als volgt: ik ging af en toe een dag naar mijn ouders, ik kon dan bijna langs sluipwegen (circa 15 kilometer) thuis komen. Toen ik op een dag heel vroeg terugfietste, werd ik aangehouden. Het was gelukkig gewone politie en geen NSB-er. Ik had namelijk een kilo boter in mijn tas, dat was eigenlijk bedoeld voor mijn oom Gert Hendrixen, die schilder was in Gendringen. Boter was op de bon en mocht helemaal  niet zonder bon vervoerd worden. Ze vertrouwden het niet, dus moest ik mee, bretels af, schoenveters uit de schoenen en zo kwam ik bij drie andere bandieten in de gevangenis. In de loop van de dag hebben ze het uitgezocht en mocht ik ‘s avonds weer naar mijn onderduikadres. Als dat NSB-ers waren geweest had ik het er niet zo goed van afgebracht.

De oorlog ging door en één van de dingen die ik, maar ook iedereen, zich steeds weer afvroeg: wanneer komt er een einde aan de oorlog? Dat was een grote onzekerheid. Niemand die je dat vertellen kon, kranten waren er niet en radio mocht je helemaal niet hebben. Sommige mensen hadden de radio in het stro verstopt. Af en toe kon je
Radio Oranje beluisteren. Als je betrapt werd ging het niet goed met je.

Het werd inmiddels 1944, elke nacht was er het geluid van overvliegende Engelse of Amerikaanse bommenwerpers, die Duitse steden gingen bombarderen. Een heel eentonig geluid. De  Duitsers hadden overal grote zoeklichten staan en afweergeschut. Ze probeerden dan de bommenwerpers in het vizier te krijgen, soms lukte dat en zo zijn er meerdere verongelukt of maakten een noodlanding. Dan waren de Duitsers er vlug bij. Toch zijn er ook vaak geallieerde vliegers gered en ondergedoken, en zelfs met hulp van het verzet nog kans zagen in Engeland te komen

De intensiteit van de geallieerde vluchten naar Duitsland werd in de loop van 1944 steeds groter. Door de industrie en grote steden te bombarderen hoopte men Hitler een kopje kleiner te maken. In de herfst van 1944 was Emmerich aan de beurt. Wij woonden daar in Netterden circa vier kilometer vanaf. De lucht werd pikdonker en enkele ogenblikken later kwamen papieren dozen, enveloppen en al  zo'n spul door de lucht bij ons neer dwarrelen. Gelukkig waren wij op tijd in de schuilkelder, dat was een diep gat dat we gegraven hadden in de boomgaard. Dat hadden we bedekt met balken en daarop een flinke laag aarde. Daar verbleven we ook vaak als er luchtgevechten waren. Het oorlogsfront kwam steeds dichterbij.

In 1940-1945 hadden de Duitsers ook veel fietsen gevorderd. Binnenbanden waren er helemaal niet meer te krijgen. Maar op de fietsen die we nog hadden deden we dubbele buitenbanden over elkaar heen. Daar heb ik toen nog een liedje over gemaakt. Het is al afgedrukt in het Bulletin Najaar 2014.

De Duitsers kregen ook gebrek aan paarden. Het gebeurde zomaar dat ze kwamen om een of twee paarden op te eisen. Het was al gauw bekend dat, als een paard druse had, dan durfden ze hem niet mee te nemen, want dat was heel besmettelijk. Bij die kwaal had het paard gele snotter aan zijn neus. Slimme boeren hadden daar al gauw iets op gevonden. Ze kookten gele vla en smeerden dat op de neus van het paard. Als de Duitsers dat zagen waren ze gauw weer weg.

Het front kwam steeds dichterbij. De Duitsers kregen gebrek aan mankrachten voor het graven van loopgraven en helpen bij transport van kolen, vlees, munitie enz. Je werd als boer zo maar gecommandeerd om een vrachtdienst te vervullen. Dan moest je paard en wagen aanspannen en soms wel 40 kilometer ver spul ophalen. Soms  bleef je wel twee dagen weg.
Er ging altijd een Duitse soldaat mee. Mijn broer Jan is vaker zo op transport geweest.

De Duitsers hadden wel in de gaten dat er meerdere jonge kerels ondergedoken zaten. Om die toch boven water te krijgen gingen ze in elk dorp een vooraanstaand iemand (bijvoorbeeld het hoofd van een school, pastoor of dominee) oppakken en vastzetten. Daarna kreeg iedereen in het dorp bericht van de bezetter. Elke onderduiker werd gesommeerd zich te melden. Als dat niet gebeurde werden die gegijzelde mensen dood geschoten.

Er werd ons niets aangedaan, wel moesten wij voor hun gaan werken. Ik was inmiddels twee-en-een-half jaar ondergedoken. Ik  heb mij aangemeld, evenals meerderen en we werden verzocht voor de Duitsers te gaan werken. Hoofdzakelijk bestond dat voor mij uit loopgraven maken.

Ik was dus weer vrij man en weer thuis bij mijn ouders. Vandaar uit ging ik elke dag voor de Duitsers werken. Eerst was dat in Schuttesteen, dat was een dorp over de grens bij Dinxperlo. Weken later moest dit werk gebeuren bij Doetinchem. Als het erg zanderig was moesten we de zijkanten met zakken en balken verstevigen. Toen heb ik het saboteren al geleerd. Hout wat je alleen makkelijk dragen kon, deden we steevast met twee man. Er was altijd Grüne Polizei in de buurt. Een leuke anekdote uit die tijd: een van onze mensen (Jan Stroet, een druif) had altijd een PTT-pet op. Die Grüne vroeg aan Jan: ‘Was bedeutet das‘? Jan zei:  ‘Prettige Tijd Tegenwoordig‘. Daar verstond de mof niks van,  dus vroeg hij: ‘Was sagen Sie‘? Jan zei: ‘Het zout is op de bon‘‘

Het zuiden van Nederland was bevrijd tot Nijmegen. In die tijd, november 1944, kregen wij evacués uit de omgeving van Nijmegen bij ons ingekwartierd. Die mensen moesten daar alles achterlaten en werden in de Achterhoek overal ondergebracht. Wij hadden een gezin uit Duiven. Daarnaast waren er ook nog Duitse soldaten in ons huis; die eisten de voorkamer op.

Verlichting was in die tijd heel schaars. Trouwens, alle ramen moesten 's avonds verduisterd zijn. 's Avonds zaten wij bij een oliepitje, dat was een jampotje, half vol water, daar olie bovenop, dan een soort schoenveter door de deksel en branden maar.

Mijn vader had de gewoonte om ‘s avonds, om ongeveer 10 uur, de rozenkrans te bidden, op de knieën voor een stoel. Onze evacués waren toevallig ook katholiek, maar ook enkele
Duitse soldaten deden trouw mee.
Nog een voorval dat ik nooit vergeet: één van de kinderen van onze evacués had difterie. Omdat we sommige nachten noodgedwongen in de kelder moesten slapen (op stro) was de kans op besmetting wel aanwezig. Ik werd dan ook heel erg ziek, er mocht niemand bij me komen, alleen mijn moeder mocht mij verzorgen.
Er zijn toen meerdere jonge mensen aan gestorven. Ik vergeet die tijd nooit. Gelukkig is alles goed gekomen. We zullen maar zeggen: onkruid vergaat niet!
Onze evacués werden in dat voorjaar verder getransporteerd naar Drenthe en Groningen. Zo sukkelden wij verder het voorjaar 1945 in. Intussen werd het steeds gevaarlijker in onze omgeving.
Ook onze buurman Tangelder werd getroffen. Jan en Cato Tangelder kwamen op 24 maart om bij het bombardement op hun huis. Alleen hun enige zoon Jan, 11 jaar oud, bleef gespaard; hij was licht gewond. Vader Jan en moeder Cato werden bij ons in de voorkamer opgebaard.

In die zelfde week kregen wij op onze boerderij ook een paar granaten. Er ontstond gelukkig geen brand, wel waren er vier koeien in de stal geraakt. Diezelfde nacht zijn die koeien toen nog geslacht.

Het was een prachtig voorjaar, wat het weer betreft. Het oorlogsfront kwam steeds dichterbij. De Canadezen en Engelsen kwamen vanuit Duitsland de Achterhoek binnen.
Op 30 maart, Goede Vrijdag, schoten ze de schuur bij buurman Vossers in brand. Ik ging er naar toe om te helpen met het blussen.
Gelukkig kregen we de brand wel uit, maar vanwege het geweervuur, van zowel Duitsers als Canadezen ( bedoeld worden Engelsen, red.)  moesten we daar de kelder in.
Toen we na een paar uur buiten gingen, zagen we tot onze verbazing dat de hele Dinxperloseweg vol stond met legerauto‘s, met allemaal een witte ster, dat betekende Canadese soldaten.
Die nacht bleven we  in de kelder. Er was nog volop geweervuur, te gevaarlijk om buiten te komen.
Goede Vrijdag 30 maart 1945 werden we bevrijd van de Duitsers.
De loopgraven die wij gegraven hadden bij Doetinchem hebben hun dienst misschien nog wel gedaan, misschien nog meer in het voordeel van de Canadezen dan van de Duitsers.

Bij ons op het erf stonden Canadese tanks, ze hadden van alles om uit te delen: sigaretten, chocola, wit brood, enz. Ik heb mijn accordeon met 12 bassen nog geruild voor één met 24 bassen. Al met al duurde het toch nog enkele weken, voordat de bevrijding van Nederland een feit was. Je kunt je niet voorstellen hoe blij iedereen was. Vijf jaar bezetting was voor ons allemaal een rottijd geweest. De mooiste tijd van mijn jonge leven-15 tot 20 jaar– was verknald door de oorlog.
In de eerste maanden na de bevrijding in mei 1945 werden er overal bevrijdingsfeesten gevierd. Wij in de Kroezenhoek hadden een grote wagen gemaakt voor de optocht. trekkers  waren er toen nog niet, dus wij hadden een os opgescharreld, die de wagen moest trekken. Maar je weet hoe ossen soms kunnen zijn, dus gebeurde het dat hij soms niet verder wilde. Misschien dacht hij wel: trek die wagen zelf maar! Onze koetsier was Gert Roes van de Reinder (de man die 10 jaar later met mijn zus Jo ging trouwen). 

 


19. Dagboek Silvolde 1944-1945 door G.Th.H. Harmelink

In 1919 vestigen de heer en mevrouw Harmelink-Kemper zich aan de Ulftseweg te Silvolde, waar ze een boek- en kantoorboekhandel openen. De heer Harmelink is afkomstig van de boerderij Abstege in De Heurne van Dinxperlo, mevrouw Harmelink-Kemper is een Breedenbroekse. Het echtpaar Harmelink heeft een zoon: Johan, de latere boekhandelaar. De Harmelinks behoren tot de N.H. gemeente te Silvolde; in de laatste jaren van de oorlog is de heer Harmelink koster van de N.H. kerk. Ongeveer tegenover hen aan de Ulftseweg wonen de uit Dinxperlo afkomstige dames Anna en Mina Colenbrander.

Op 7 october 1944, de dag van de bombardementen op Emmerik, is de heer Harmelink gestart met het bijhouden van een dagboek, welk dagboek de familie enkele jaren geleden aan Old Sillevold ten geschenke gaf!

Algemeen bekend is dat het de laatste Oorlogswinter zo gemeen koud was. Bij voortdurend gemis van stroom en gebrek aan brandstof, was die strenge winter een extra gesel voor de bevolking. De heer Harmelink houdt de weersgesteldheid dan ook heel goed bij. 't Is opmerkelijk hoe goed hij op de hoogte is van de steden die gebombardeerd werden. Die informatie moet hij wel haast van Radio Oranje gehad hebben ..., van een achter gehouden toestel bij hem thuis of bij de buren...

De tekst doet soms wat afstandelijk aan, maar dat heeft z'n reden! Als de schrijver z'n hart liet spreken ..., en 't geheel kwam in N.S.B.- of Duitse handen, dan kon dat fatale gevolgen hebben... Dus was voorzichtigheid geboden! Voor ons is het nu de kunst om 'tussen de regels te lezen!'

We laten hieronder de tekst in z'n geheel volgen.

 

Zaterdag 7 october 1944: Bombardementen op Emmerik.

Zondag 8 october: Stille dag.

Maandag 9 october: Regendag. Geen vliegers.

Dinsdag 10 october: Zeer veel Duitsers vertrekken naar Duitsland, met veel materiaal en zeven tijgertanks.

Woensdag 11 october: Veel tijgertanks, paarden enz. vertrekken , ook in de nacht van woensdag op donderdag.

Donderdag 12 october: Om half acht 's morgens luchtaanval op de Paasberg.

Vrijdag 13 october: Geweldig veel vervoer naar Duitsland, vooral in de namiddag.

Zaterdag 14 october: Zeer druk vervoer op deze dag, heen en weer naar Duitsland.

Zondag 15 october: Opnieuw druk verkeer, vooral voor kerktijd. Regenavond vanaf vijf uur.

Maandag 16 october: Veel druk vervoer. 's Middags veel regen. H. Wiggers hier.

Woensdag 18 october: Juffrouw De Bruin overleden.

Vrijdag 20 october: Rijwielen (alleen heren) inleveren. Later weer ingetrokken. Vluchtelingen aangekomen.

Zondag 22 october: Heilig Avondmaal. Luchtalarm. Gezongen Psalm 56:5,6 en Psalm 46:4,5,6. Mijn broer 's middags hier op bezoek. 's Avonds rustig. Hekwerk stuk gereden.

Maandag 23 october: 's Morgens heel veel vervoer van vluchtelingen uit Noord-Limburg en omgeving Nijmegen. Vierkante gaten gegraven. H. Wiggers hier. 's Avonds gelukkig rustig.

Dinsdag 24 october: Gaten gegraven voor Juffrouw Van den Berg. Schuilkelder gemaakt. Voor Mina het porselein bij ons kippenhok in de grond geborgen.

Woensdag 25 october: Naar Heideman in De Heurne. Geen stroom.

Vrijdag 27 october: Geen stroom en geen water, de hele dag.

Zaterdag 28 october: Melden, alle mannen van 16-60 jaar, van 2-6 uur.

Zondag 26 november: Mooi weer.

Maandag 27 november: Goed weer. Aardappelen gehaald bij G. Vriezen. In de nacht druk vervoer naar Duitsland.

Dinsdag 28 november: Slecht weer, zachte regendag. Veel vervoer van wagens met paarden.

Woensdag 29 november: Mooi weer.

Donderdag 30 november: Droog weer.

Vrijdag 1 december: Droog weer, maar koud. In de avond en 's nachts druk vervoer van paarden en wagens naar Duitsland.

Zaterdag 2 december: Regendag.

Zondag 3 december: Van zaterdag op zondag veel autovervoer van Duitsland naar Nederland. Ruw en slecht weer. Sinds 1864 niet zoveel regen in november. Ook in de nacht ruw weer.

Maandag 4 december: Zeer druk in de winkel en rumoerig in de lucht. Iets beter weer overdag. 's Avonds veel lichtkogels.

Woensdag 6 december: Om half elf huwelijksinzegening. Tamelijk goed weer. Veel vliegers 's avonds.

Donderdag 7 december: Den gehelen nacht regen, ook overdag en 's avonds.

Vrijdag 8 december: Droog weer, maar waterkoud.

Zaterdag 9 december: Koud en regenachtig op deze dag.

Zondag 10 december: Van zaterdag op zondag regen. Overdag droog, maar koud. 's Avonds weer regen.

Maandag 11 december: Des nachts storm en regen. Overdag droog, maar koud. 's Avonds weer regen.

Dinsdag 12 december: Den gehelen nacht regen, overdag ook triest en koud. 's Avonds weer regen.

Woensdag 13 december: Geen licht. Mistig, maar droog weer. Zeer rustige dag, geen vliegers.

Donderdag 14 december: 's Morgens mistig, verder droog weer den gehelen dag, ook 's avonds. Hanna en Diena hier geweest. Hout gehaald.

Vrijdag 15 december: Droog weer. Veel vliegers.

Zaterdag 16 december: Regenweer, bij gedeelten droog. Den gehelen avond regen.

Zondag 17 december: Den gehelen nacht regen, ook overdag regenachtig. Des nachts erg rumoerig.

Maandag 18 december: 's Nachts veel vliegtuigen. Luchtalarm. Lichtkogels. Den gehelen dag regen en donker weer.

Dinsdag 19 december: Anna en Mina geholpen met de zolder. Een echte mistige dag, verder droog weer.

Donderdag 21 december: Mistige dag, verder droog weer. 's Middags wat beter weer, 's avonds regen. Trouwdag van Gerrit Kranen.

Vrijdag 22 december: Droog weer deze dag. Anna en Mina inkwartiering.

Zaterdag 23 december: 's Nachts veel vervoer, ook overdag, van Duitsland naar hier. Koud, maar helder weer.

Zondag 24 december: Koud en vriezend weer.

Maandag 25 december: Eerste Kerstdag. Helder, vriezend weer.

Dinsdag 26 december: Helder, vriezend weer.

Woensdag 27 december: Vriezend weer.

Donderdag 28 december: Mistig en koud, vriezend weer.

Vrijdag 29 december: Koud en helder weer. Veel jagers en ook luchtalarm.

Zaterdag 30 december: Mistig weer. IJsregen, koud weer. Boter beschikbaar: half ons per persoon.

Zondag 31 december: Helder, vriezend weer. Veel vliegers in de lucht, ook 's avonds bij de jaarwisseling. Veel lawaai en schieten om 12 uur door de Duitsers. De Führer spreekt.


Maandag 1 januari 1945: Helder, vriezend weer. Voor 't overige rustig.

Zondag 7 januari: Gretel van Loock hier.

Maandag 8 januari: Koud met sneeuwval. Pracht gezicht.

Dinsdag 9 januari: Koud en sneeuw, nog erger. Pracht gezicht!

Woensdag 9 januari: Koude, geen sneeuw. 's Avonds mistig.

Donderdag 11 januari: Zeer koud weer, tegen de avond sneeuw.

Vrijdag 12 januari: Dooi weer.

Zaterdag 13 januari: Dooi weer. Vuile boel op de weg, niets dan modder.

Zondag 14 januari: Koud, vriezend weer, helder. Veel vliegers in de lucht.

Maandag 15 januari: Koud en mistig weer, enkele sneeuwbuien.

Dinsdag 16 januari: Koud en vriezend weer, 's middags wat helderder. Vliegers in de lucht.

Woensdag 17 januari: Dooi weer, tegen de avond weer vriezend weer. Vuile boel op de weg.

Donderdag 18 januari: Koud en ruw weer op deze dag, ook 's nachts.

Vrijdag 19 januari: Koud en winderig weer, 's morgens sneeuw.

Zaterdag 20 januari: Koud en winderig, veel sneeuwval. Opnieuw vriezend. Drie pakjes verzonden met de auto van Heijming. Kosten: ƒ 2. Naar Grashof te Rotterdam, Jansen te Utrecht en Van Dorp te Den Haag.

Zondag 21 januari: Koude dag, opnieuw sneeuw.

Maandag 22 januari: Koud, maar helder weer. Veel vliegtuigen deze dag.

Dinsdag 23 januari: Koud weer, helder. Zeer veel vliegtuigen. Vrouw Teerink overleden.

Woensdag 24 januari: Koud, vriezend weer, opnieuw sneeuw.

Donderdag 25 januari: Koud, vriezend weer. Militaire auto's vertrekken 's nachts naar Duitsland.

Vrijdag 26 januari: Hard gevroren deze nacht, 16 graden. Overdag ook koud. Naar Dinxperlo gelopen, tante Mina's verjaardag.

Zaterdag 27 januari: Deze nacht weer opnieuw sneeuwval. Koud en vriezend weer. 's Avonds weer sneeuwval.

Zondag 28 januari: 's Morgens weer sneeuw. Ds. Mooi hier gepreekt.

Maandag 29 januari: Koud en vriezend weer.

Dinsdag 30 januari: Koud en guur weer, veel sneeuwval.

Woensdag 31 januari: Eindelijk dooi weer, regen en mistig.


Donderdag 1 februari: In de morgen veel regen, de sneeuw bijna weg.

Vrijdag 2 februari: In de verte zwaar kanongebulder. In de voormiddag zware bombardementen op Wezel, Emmerik en Elten. Verder winderig, maar droog.

Zaterdag 3 februari: Droog weer. Veel vliegers. Kanongebulder in de avond. Grote aanval op Dortmund.

Zondag 4 februari: Den gehelen dag regen. 's Middags kerk, daarna N.H. klooster. De hele dag geen stroom.

Maandag 5 februari: Regenachtig en mistig weer.

Dinsdag 6 februari: Droog en mooi weer. Zeer veel vliegeractiviteit.

Woensdag 7 februari: Regenachtige dag, echte trieste dag. Des avonds hevige bombardementen op Duitsland. Om tien uur Gretel van Loock vertrokken.

Donderdag 8 februari: Doorlopend zwaar artillerievuur. 's Avonds zwaar bombardement op Duitsland. Voor Kleef en Goch den gehelen nacht artillerievuur en vliegtuigen, zware bombardementen. In Terborg villa Van Sassen getroffen, ook op andere plaatsen...

Vrijdag 9 februari: Deze dag weer regendag, tegen de avond droog. Daags rustig.

Zaterdag 10 februari: 's Nachts en in de voormiddag regen, 's middags helder weer. Veel vliegtuigen en kanongebulder. Twee dames uit Rotterdam hier.

Zondag 11 februari: Koud, maar droog weer. 's Nachts artillerievuur in Duitsland. Druk vervoer op de weg naar Duitsland. Pudding onder de toren van de Hervormde kerk, inmaakflessen in de kerk onder de kansel.

Maandag 12 februari: Den gehelen nacht regen. Artillerievuur des nachts. Zwaar kanongebulder.

Dinsdag 13 februari: 's Morgens droog weer, 's middags en 's avonds regen. Artillerievuur 's avonds en de ganse nacht trommelvuur.

Woensdag 14 februari: Droog en helder weer. Zeer veel vliegtuigen de hele dag door. Luchtaanval op Dinxperlo en Bontebrug. Geen stroom.

Donderdag 15 februari: Droog weer, niet helder. Veel vervoer naar Duitsland, ook vrachtwagens met fietsen. Geen stroom de gehele dag. Johan voor 't eerst schansen.

Vrijdag 16 februari: 's Morgens eerst mistig, later helder en mooi weer. Zeer veel luchtactiviteit en zwaar kanongebulder. Tegen de avond trommelvuur.

Zaterdag 17 februari: Geen stroom. Den gansen dag mistig en tegen de avond regen. Veel vervoer naar Duitsland.

Zondag 18 februari: Mistig en regenachtig weer. 's Middags N.H. klooster. 's Avonds Cees Post hier gekomen. Juffr. Van den Berg bezocht en wandeling naar Terborg. Veel vervoer naar Duitsland.

Maandag 19 februari: Mistig, maar droog weer. Naar Dinxperlo en de Abstege in De Heurne. In De Heurne fietsenvordering, maar gelukkig is alles goed afgelopen. Veel vervoer naar Duitsland.

Dinsdag 20 februari: Trieste, regenachtige dag. 's Avonds weer wat beter. Veel vervoer aan de straat, ook soldaten, naar Duitsland.

Woensdag 21 februari: Droog en mooi weer. Veel vliegeractiviteit. Wed. Tieltjes op Seinhorst afgebrand. Bij Kastein bommen gegooid.

Donderdag 22 februari: Droog en helder weer. Veel vliegtuigen en bommenwerpers. Bij Anton Heideman in De Heurne bommen gegooid. Geen stroom.

Vrijdag 23 februari: Geen stroom. Twee kinderen van D. Kobes op Sinderen dodelijk getroffen. Donker en regenachtig weer. Geen vliegtuigen. Kapper Gries en Jan Albers opgehaald.

Zaterdag 24 februari: Geen stroom. Droog en mooi weer. Zeer veel luchtactiviteit. Beschieting villa van dokter Capetti en de pastorie in Ulft. In de avond weer veel vervoer van en naar Duitsland. In de verte artillerievuur.

Zondag 25 februari: Tamelijk goed weer, wel winderig en om vier uur regen. Verder niets.

Maandag 26 februari: Zeer veel wind, maar droog. Enkele vliegtuigen, wel veel vervoer naar Duitsland. Boland hier geweest in de tuin.

Dinsdag 27 februari: Mistig weer. Boland hier geweest. Malingkroth hier.

Woensdag 28 februari: Verjaardag dokter Ris. Bewolkte lucht. Veel jagers en afweer. Uit Westendorp aardappelen gehaald. Cor Post met Malenkroth vertrokken. Boland weer gewerkt, ook de w.c.put.


Donderdag 1 maart: 's Morgens echt regenachtig en in de namiddag iets beter. Schoorsteenbrand gehad, deze schoongemaakt. Boland in de tuin.

Vrijdag 2 maart. Koud en sneeuwbuien, tussenbeide droog en zonnig. Kalm met vliegtuigen. Drama in Varsseveld.

Zaterdag 3 maart: Koude dag met sneeuwbuien. Kalm in de lucht met vliegtuigen, ook 's avonds erg stil.

Zondag 4 maart: Tot vier uur 's middags echt triest en regenachtig. 's Morgens doopbediening. 's Middags enkele honderden uit verschillende steden (razzia’s) hier aangekomen en ondergebracht in de R.K. school. Uitgehongerd liepen ze langs de straat. Veel vervoer naar Duitsland.

Maandag 5 maart: Afgelopen nacht geen vervoer naar Duitsland. Tot vier uur buiig. Ook overdag veel vervoer naar Duitsland. Geen stroom.

Dinsdag 6 maart: Geen stroom. In de voormiddag regen, later weer wat opgeklaard. Het Jeugdgebouw weer ontruimd door de Duitsers.

Maandag 12 maart: Sombere dag. Opnieuw geen stroom. Zeer veel vervoer op de weg van tanks naar Holland. Opnieuw melden. Weinig vliegtuigen.

Dinsdag 13 maart: Geen stroom. 's Morgens betrokken, 's middags mooi weer. Veel bommenwerpers en veel vervoer heen en weer. Opnieuw melden 16-60 jaar voor graafwerk. Het leger in de R.K. school vertrokken naar Gendringen.

Woensdag 14 maart: Zeer mooi lenteweer. Fietsenvordering door de politie van de Ortscommandant. Op Slavendorp bommen gevallen. Slaapkamer schoon gemaakt. Geen stroom.

Donderdag 15 maart: Voormiddags koud en erg mistig, 's middags helder weer. Veel militairen onder de boeren, met plaatsing van geschut. Veel drukte op de weg. Vijftig boeren moeten rijden naar onbekende bestemming. Geen stroom.

Vrijdag 16 maart: Geen stroom. Afgelopen nacht doorlopend artillerievuur. Militairen vertrekken, ook boven luitenant Patzers. Tamelijk goed weer. Veel heen en weer getrek. Deze week een noodweek!

Zondag 18 maart: Den gehelen dag geen stroom en geen water. Mijnheer Straatman uit Velp hier. Tot twee uur 's middags koud en mistig, daarna klaart het op. Weer veel vliegtuigen en veel vervoer op de weg. Het Jeugdgebouw weer ontruimd.

Maandag 19 maart: Geen stroom. Zeer heldere dag. Wonderlijk bewaard deze morgen! Het kasteel Schuijlenburg door Jabo's aangevallen. Totaal uitgebrand. Een blindganger van 60 (of 600) pond om elf uur ontploft. Bij de aanval was ikzelf in de tuin tegen acht uur. Vele etalages sneuvelden, in 't dorp een en al ravage. In de kamer ook veel barsten. Een granaat bij het huis van Vonk. Artillerie 's avonds al in Silvolde. Begin van brand in R.K. school.

Dinsdag 20 maart: Koud, maar helder weer. Geen stroom.

Woensdag 21 maart: Geen stroom. Helder en zonnig weer. Veel vliegtuigen en bommenwerpers. Zelf naar dokter Van Haaften. Bommen gevallen in Doetinchem, Varsseveld en bij Lucassen in Varsselder. Ramp Doetinchem, onbekend aantal doden en gewonden. Ned. Herv. kerk getroffen en uitgebrand.

Donderdag 22 maart: Geen stroom. Helder en zonnig weer. Wat rustiger in de lucht met bommenwerpers. 's Avonds naar 't kasteel Schuijlenburg. Geweldig gezicht, vooral met de grote bomen!

Vrijdag 23 maart: Geen stroom. Zeldzaam mooi weer. Johan voor 't eerst schansen in Oosseld. Geweldig veel vliegtuigen en bommenwerpers. Om half zes steeds heviger aanvallen  van Jabo's. De gehele nacht in de kelder geslapen.

In Gendringen vader Vossers door granaat van een vliegtuig getroffen en gedood.

Zaterdag 24 maart: Geen stroom. Zonnige dag. Veel artillerievuur en Jabo's in de lucht. Boerderij Verheijen in de Kroezenhoek afgebrand. Man en vrouw gedood. Zeer onrustige dag. Naar Breedenbroek geweest om brood en melk te halen, doorlopend in eenmansgaten of achter een boom, uren onderweg!

Zondag 25 maart: Palmzondag, geen kerkdienst wegens het oorlogsrumoer, tien personen waren er. Helder en zonnig weer. Van zaterdag op zondag zeer veel vervoer heen en weer. Het liep vast op de weg naar Anholt, wegens de geallieerden. Geweldig veel Jabo's en telkens luchtalarm. Op de Openbare school bommen geworpen. Hoofd van de school, meester Siebelink, getroffen, één der benen afgerukt. Na twee uur overleden aan de gevolgen.

Maandag 26 maart: 's Morgens eerst donker en betrokken lucht, later weer mooi weer en zonnig.

Om acht uur 's morgens vader Vossers naar 't graf gebracht onder veel rumoer van vliegtuigen. Zeer weinig mensen aanwezig, veel gevaar ook! 's Middags wat rustiger. Johan torenwacht van 4-8 uur.

Dinsdag 27 maart: Geheimzinnig stille dag. Geen vliegtuigen of artillerievuur. Bij ds. Van Selms  fietsen gevorderd. In de kamer houten schot met klein raam geplaatst. In de kelder geslapen.

Woensdag 28 maart: Geweldig artillerievuur en granaatinslag. Emmerik gevallen. Des avonds avontuur met Duitsers bij vertrek van O.P.-arbeiders. Mijn vrouw buitengewoon rustig onder de dreiging van revolvers.

Donderdag 29 maart: Vannacht erg rustig. Deze dag mistig en regenachtig. Kelderluik verbeterd door mijnh. Straatman, die hier was en geholpen heeft. Tegen de avond weer rumoeriger.

Vrijdag 30 maart: Goede Vrijdag. 's Morgens om tien uur kerkdienst, tevens bediening Heilig Avondmaal, 22 Avondmaalgangers. Na de dienst in de kerk naar het Klooster waar op twee zalen het H.A. werd verstrekt aan zeer ernstig zieken, vijf en vier personen. Onder granaatvuur naar huis. Johan weer torenwacht. Enkele kogels door 't huis.

's Morgens regen en 's middags opklaring. Van 3-6 wat benauwd door gevechten op straat... Om kwart over zes de eerste patrouilles der geallieerden, daarna tanks op de weg...

Zaterdag 31 maart: Stille Zaterdag. Afgelopen nacht een en al vuur. Dag van geweld, door de totale oorlog! Tot zes keer over het glaswerk van de etalage opgeruimd. Grote ravage in huis  en in het dorp, overal glasscherven en kapotte gevels. Ook enkele doden, o.a. Johan Heersink. Afgelopen nacht veel artillerievuur. Het Tweede Engelse en Canadese leger komen met gemotoriseerde afdelingen door Silvolde. Geweldig en imposant gezicht!


Zondag 1 april: Eerste Paasdag. 's Morgens geen kerkdienst. In de kerk was geen ruit meer heel gebleven. Toen ik de kerkdeur open maakte, vloog me een kip angstig in mijn gezicht. Ook 's middags geweldig veel vervoer op de weg van tanks en kanonnen. Steeds maar door, en in de nacht werd 't nog erger.

Op deze dag werden verschillende N.S.B.-ers opgespoord en vastgezet in het Jeugdgebouw. Enkele meisjes is hier het haar afgeknipt en daarna moesten ze op het Marktplein het Wilhelmus zingen... Hoe ons Volkslied al misbruikt wordt!

Maandag 2 april: Tweede Paasdag. Veel drukte en een stormloop om vlaggen, strikjes en sjerpen. Bar druk op de straat. Een schouwspel nooit gezien! Voor 't eerst weer boven geslapen. Ook van zondag op maandag veel tanks over de weg, elke seconde bijna een tank. Van zaterdag op zondag nog even gevochten in Silvolde in de buurt van Bongers en Gemmink. Helaas was er op Goede Vrijdag, Stille Zaterdag en de Eerste en Tweede Paasdag een zeer sterke wind die de branden die overal ontstonden, aanwakkerde. Eerste en Tweede Paasdag ook regen.

Dinsdag 3 april: Regendag, 's avonds onweer. Geweldig druk op de weg.

Woensdag 4 april: 's Morgens regen, 's middags droog. Geweldig druk op de weg en ook veel vliegtuigen. Veel verkoop van oranje sjaals. Radio's terug.

Donderdag 5 april: Regenachtige dag met onweer. Veel vervoer op de weg.

Vrijdag 6 april: Regenachtig. Iets kalmer met vervoer. Voor 't eerst weer water. Naar Colenbrander en ds. Wielemaker. Lampen voor de kerk.

Zaterdag 7 april: Mooi zomerweer. Veel vervoer heen en weer. Voor 't eerst weer de winkel open, erg druk. Veel verkoop crêpepapier, sjaals en lint.

Zondag 8 april: Mooi weer, wel koud. Kemper uit Dinxperlo hier geweest. Kerkdiensten om tien en drie uur, beide beurten zeer druk bezocht, flinke collecte!

Opnieuw geweldige drukte op de weg met tanks, kanonnen enz.

Maandag 9 april: Afgelopen nacht vreselijk druk op de weg met tanks enz., ook overdag veel vervoer van tanks, kanonnen en ander materiaal.

Dinsdag 10 april: Mooi weer. Veel vervoer van tanks enz. Geweldig veel bommenwerpers naar Duitsland, 600 telden we er in een half uur.

Woensdag 11 april: Zeldzaam mooi weer. Kalm op de weg en ook in de lucht. Dokter Van Haaften betaald. In de tuin gewerkt.

Vrijdag 13 april: Zeer mooi weer. Rustig op de weg.

Zondag 15 april: Donker weer. 's Middags naar 't kasteel Schuijlenburg. 's Morgens een overvolle kerkdienst. Kalm op de weg.

Maandag 16 april: Zeldzaam mooi weer, warme dag. Weer drukker op de weg, o.a. zware kanonnen enz.

Dinsdag 17 april: Zeer warme zomerse dag. Om drie uur rouwdienst in de kerk voor G. Vossers. De kansel eenvoudig gedrapeerd. Bloemstuk van de kerkenraad, zelf gemaakt.

Woensdag 18 april: Twaalf kisten uit de schuilkelder gehaald, waarvan zes uitgepakt.

Donderdag 19 april: Mooi weer, wel meer wind. Boter, vet en eieren van de N.B.S. (Binnenlandse Strijdkrachten) ontvangen. Johan Bruins hier.

Vrijdag 20 april: Zeer mooi en droog weer. Druk vervoer van groot materiaal. Johanna en Truida Heideman hier op bezoek. Koperen kroon consistorie opgeknapt.

Zaterdag 21 april: Koud en regenachtig weer.

Zondag 22 april: Regenachtig, 's middags wat beter. Om half elf bevestiging van nieuwe leden der gemeente, o.a. Vreman en Sloetjes.

Zondag 29 april: Regenachtig en koud weer. De kerkdienst van half elf zeer druk. Johan naar Eibergen en Doetinchem.

Maandag 30 april: Meester Postel hier. Erg koud.


Woensdag 2 mei: Hagelbuien.

Vrijdag 4 mei: Guur en koud weer. Bekendmaking van de Capitulatie van Duitsland, ook in Nederland!

Zaterdag 5 mei: Optocht der kinderen door het dorp. Kerk door mij versierd. Op deze dag heel Silvolde in vlaggetooi. 's Avonds om acht uur sprak de Koningin.

Zondag 6 mei:  Regenachtig en winderig. Doopdienst in de kerk om half elf, zeer druk, veel giften met de deurcollecte. Tommy in het Jeugdgebouw.

Maandag 7 mei: Mooi zonnig weer. Johan naar Zevenaar. Zelf voor 't eerst naar De Heurne en Dinxperlo... Zeer trieste aanblik! 's Avonds burgemeester Boot ingehaald.

Dinsdag 8 mei: Mooi weer. 's Avonds Ulft in feeststemming en vuurwerk. 's Nachts van elf tot twaalf uur geweldige munitieontploffing in de R.K.school te Ulft II, door onvoorzichtigheid.

Donderdag 10 mei: Hemelvaartsdag. Zeldzaam mooi weer. Drukke kerkdienst.

Vrijdag 11 mei: Zeer mooie, warme dag. Bom ontploft te Gendringen, waarbij twee doden zijn te  betreuren.

Zondag 13 mei: Zeer warm weer, te warm: onder de lindeboom. Met mijn vrouw en Gerrit Mullis naar Ulft II geweest.

Dinsdag 15 mei: Kelder schoon gemaakt.

Woensdag 16 mei: Verjaardag H. Overgoor. Mijn broer hier geweest.

Donderdag 17 mei: Kist met porselein van Anna en Mina uit de grond.

Zondag 27 mei: Twee keer kerk, collecte voor het Klokkenfonds: ƒ 900,--.

Zondag 3 juni: 's Morgens om half elf kerkdienst. 's Namiddags naar Kemper, Breedenbroek. Zilveren feest. Den gehelen dag droog en goed weer.

Dinsdag 5 juni: Droog weer, bijna de hele dag in de tuin gewerkt. Johan Heideman hier geweest  met een lap stof voor Johan, kosten ƒ 300,--.


20. Oorlogsverhaal door Jan van Mierlo

Jan werd in 1920 in Wehl geboren. In 1942 verhuurde hij zich als boerenknecht bij boer en caféhouder Meijer aan de Prins Bernhardstraat in Silvolde. De grote bovenzaal bij Meijer was natuurlijk een uitgelezen kwartierplek voor de Duitsers en was dan ook  meestal wel bezet.

Op zondag 17 september 1944 waren de luchtlandingen van de Engelsen op de Renkumse en Ginkelse Hei. Jan moest toen halsoverkop met paard en wagen een stuk of vijftien militairen naar 't front in de omgeving van Oosterbeek brengen. Vanwege de Engelse Jabo’s moest er ’s nachts gereden worden en daarom vertrokken ze zondagavond richting Arnhem.

De volgende dag daar aangekomen ontmoette hij er heel wat boeren met soortgelijke transporten. Bij Oosterbeek was het erg gevaarlijk; een boer uit Hummelo bad aan één stuk het Onze Vader... De Duitsers zeiden dat de voerlui over anderhalf uur nieuwe orders zouden krijgen, maar dat leek Jan maar niks... 't Had grote kans dat 't paard dan in de gaarkeuken zou verdwijnen... Jan maakte dan ook maar gauw rechtsomkeert, samen met de boer uit Hummelo - die hij eerst nog over moest halen om mee te gaan - en samen wisten ze veilig over de brug bij Westervoort te komen. Bij een boer aan de weg van Zevenaar naar Didam kregen zij en de paarden onderdak voor de nacht. Ze kregen er goed wat te eten en een goed bed. Die dag hielden zij zich schuil - zowel voor de Duitsers als de Engelse Jabo’s - en de volgende avond trokken ze weer huiswaarts, de een naar Hummelo en de ander naar Silvolde.

Jan kwam op Montferland een Duitser tegen die de weg vroeg naar Emmerik. Kennelijk was hij aan zijn onderdeel ontsnapt en probeerde hij te deserteren... Jan kwam in ieder geval weer behouden in Silvolde aan. Meijer en Jan hebben de wagen toen uit elkaar gehaald en in de kapberg onder een berg stro opgeborgen ... en zo hadden ze vervolgens geen wagen meer...

Op maandag 19 maart was de beschieting van de Schuilenburg. Hoewel er geen Duitsers meer op het kasteel bivakkeerden bevond er zich nog wat wel wat uitrusting van hen, zoals rugzakken enzovoort. Lang niet alles was in vlammen opgegaan. De Duitsers droegen Meijer en Jan op die spullen naar Thee Weijers op d'n Iesselt te brengen. Met een lange kar vervoerden ze 't allemaal binnendoor van de Schuilenburg naar Weijers. De Duitsers droegen een soldaat de bewaking van de goederen op. Met z'n verrekijker zocht deze steeds de omgeving af.

Toen de bevrijders  op zaterdag 31 maart richting Silvolde oprukten zat die soldaat daar natuurlijk zeer geïsoleerd. De familie Weijers en de Duitse soldaat vierden samen het Paasfeest (1 en 2 april). Op dinsdag 3 april droeg Thee Weijers hem over aan de Canadezen in Ulft en zo overleefde hij de oorlog... In de naoorlogse jaren kwam hij nog enkele keren weer bij de familie Weijers op bezoek...

Jan van Mierlo: "Jao, Bernard Koerentjes hef geliek, den man links op de foto dat bun ik."

Nu vragen wij ons natuurlijk af wie die andere man en dat kind zijn en wie de maker van deze zo historische foto is...

21. Oorlogsverhaal door Bernard Koerntjes

Bernard werd in 1928 in Herwen en Aerdt geboren en groeide op in de omgeving van 't Molentje en de boterfabriek te Silvolde. Als jongen zat hij veel bij melkventer Eduard Obbink voor op de brik en reed hij onder andere ook vaak mee als Obbink de bewoners van de Schuilenburg van de nodige zuivelproducten ging voorzien. Ze reden door de grote laan van Silvolde naar 't kasteel en dan ervoor langs naar de keuken aan de zuidwestkant, de kant van Welling. Bernard bleef bij het paard en Eduard leverde de melk en boter enzovoort bij het keukenmeisje af. Eduard Obbink en z'n paard bezaten beide een flink portie temperament... Op de terugweg ging het ook vaak in draf of galop weer richting het Kraaienbos!

Ook als 's winters de gracht dichtgevroren was trokken Bernard en z'n vrienden naar de Schuilenburg en schaatsten ze er tot laat in de middag rond.

Bernard vond in 1945 z'n eerste baantje bij garage Ten Have aan de Markt. In die tijd waren er steeds overal grote aantallen Duitse soldaten ingekwartierd, onder andere ook op de Schuilenburg. Bij Pierik aan de Markt had een 'hoge' z'n intrek genomen. Die zei op zaterdag 17 maart tegen de gebroeders Ten Have dat ze de motor wel uit de bij de Schuilenburg geparkeerd staande auto mochten halen. Dat was natuurlijk niet tegen dovemansoren gezegd... Maandagmorgen trokken Henny en Piet ten Have en Bernard Koerentjes gewapend met het nodige gereedschap naar de Schuilenburg. Toen ze echter nog maar net gearriveerd waren scheerde er een Engelse jager over hun hoofden. 't Was kennelijk een verkenningsvliegtuig, want even later verschenen er veel meer van de kant van de Theetuin aan de Ulftseweg. Tussen Silvolde en de Schuilenburg doken ze nog iets meer naar beneden en beschoten het kasteel en voorbij het kasteel schoten ze het staartgeschut ook nog snel leeg... Het spreekt vanzelf dat de sleutelaars bij de auto de belangstelling voor het werk snel verloren waren; zo gauw mogelijk doken ze in de sloot aan de zuidkant van de laan... Op handen en voeten kropen ze richting het dorp... En ze werden niet geraakt, ze overleefden het spektakel van die dag!

In die tijd bevond de familie Welling zich bij de familie Tiemesen op d’n Isselt en daardoor ontkwamen ze aan de beschieting!

Bernard: "Volgens mien steet Jan van Mierlo nog op den foto bi’j 't kapotte kasteel!"

22. Dagboeknotities oorlogsjaren 1941 en 1945  door B.F.M. Oostendorp

In 1917 kochten de echtelieden Bernardus Oostendorp en Maria Peters van café houder Hendrik Wensink onder aan de Markt, voor de prijs van ƒ 4000,-- het dubbele woon- en winkelhuis Markt 10. Het pand telde aan de voorkant twee vertrekken; op de rechter voorruit lieten ze met grote letters het woord COIFFEUR aanbrengen en de zaak van kapper-barbier Oostendorp was gevestigd. Die letters bleven er gedurende 28 jaar staan, maar met het bombardement op de Schuilenburg op 19 maart 1945 gingen ruit en letters jammerlijk verloren. De kapperszaak bestaat evenwel na 90 jaar nog steeds, thans: Kapper Huls.

Het gezin Oostendorp-Peters behoorde tot de St. Mauritiusparochie en telde zeven kinderen: Gerrit, Annie, Wim, Ben, Frans, Wies en Riet. Ben van 1924 was in de oorlogsjaren werkzaam op het kantoor van de WOG (Waterleiding Oost Gelderland) en later bij het Ziekenfonds Oude IJssel, beide te Doetinchem. Hij maakte de Tweede Wereldoorlog heel bewust mee en noteerde in 1941 en 1945 in zijn dagboek wat er zich in z'n omgeving afspeelde.

We prijzen ons gelukkig dat de heer Oostendorp ons toestemming gaf tot de publicatie van zijn notities van die zo immens spannende tijd. Naar aanleiding van enkele vragen onzerzijds heeft hij ons recentelijk nog wat verduidelijkingen doorgegeven. Deze zijn (.....) ingevoegd. De eerste notitie is van maandag 15 september 1941.

 

Maandag 15 september 1941:

Vermoedelijk is de burgemeester van Haaksbergen, Jhr. Von Heyden, vastgezet. Kabeldoorsnijding?

't Russisch front gaat nog tamelijk; 2 divisies in de pan gehakt en generaal Riddert von Schodert gesneuveld.

Dinsdag 16 september 1941:

Vandaag hebben ze ook in Doetinchem enkele personen opgehaald. In Enschede hebben ze ook weer op verschillende plaatsen kabels doorgesneden. Dit gebeurt de laatste tijd op verschillende plaatsen. In Haaksbergen hebben ook alle mensen de radiotoestellen moeten inleveren.

Woensdag 17 september 1941:

De bezittingen van H.M. Koningin Wilhelmina zijn vandaag door den Heer Rijkscommissaris Dr. Seys-Inquart verbeurd verklaart. Een jongen bij ons op kantoor die uit Hummelo komt, moest - omdat hij een oproeping van de burgemeester had gehad - om 6 uur in de Openbare School komen. Er waren wel 100 jongens geweest. Ze hadden eerst allen een levensbeschrijving moeten geven, daarna de cijfers 1 tot 10 opschrijven; toen vanwege een rechercheur van politie een dictee, waaronder de vingerafdrukken van alle 10 vingers gezet werden.

Vrijdag 19 september 1941:

De Duitsers zijn vandaag enkele kilometers bij Leningrad terug geworpen. Werden ze maar zo ver terug geworpen dat ze allen in de Noodzee plonsden. Ik denk dat er dat veel met me eens zijn. We krijgen nu - omdat het beter weer is - weer een beetje minder brood. Nou ja, en de boter kan ook nog wel een beetje minder. Maar 't wordt meer aardappelen. Te danken aan de Führer.

Zaterdag 20 september 1941:

In Hummelo hebben ze de dader van 't kabeldoorsnijden gekregen, een jongeman van 17 jaar. Wat zal er van hem worden? Ze hadden hem niet gekregen als hij naar de burgemeester geen anonieme brief geschreven had. Nu hebben ze hem aan het schrijven en de vingerafdrukken gevonden. Een doodgewoon bericht in de krant meldt dat 5 personen door de kogel gedood zijn omdat ze aan de Engelsen - die moesten landen - hulp geboden hadden.

Zondag 21 september 1941:

Nog nooit was 't met de kermis als deze zo'n mooi weer.

Maandag 6 october 1941:

Vandaag vertelde een jongeman uit Hummelo - die bij ons op kantoor is - dat de jongen die daar de kabel doorgesneden heeft en pas 17 jaar is, ter dood veroordeeld is. Er is nog wel een verzoek om gratie naar ......, maar men vreest het ergste...

Ze hebben hier van het hekwerk om de Wilhelminaboom en Juliana- en Bernhardboom de Kronen gehaald, omdat zich daar mensen rond 't Marktplein aan ergerden. Dat is maar ‚‚n huis. Maar ze komen er wel weer op.

Papa moest vanavond posten bij de molen van Gerritsen met Jan Wensink, van 8 tot 12 uur.

Dinsdag 7 october 1941:

De Duitsers verliezen geweldig bij Leningrad. Volgens geruchten graven ze zich in en willen langs een andere weg proberen Moskou te bereiken.

Woensdag 8 october 1941:

Deze dag zal een dag zijn om nooit te vergeten. Vandaag zijn er overal Joden opgehaald. Vanmorgen in Terborg ook. Wim had 't gezien; Grüne Polizei haalde ze uit de huizen. Ook in Doetinchem en op al de plaatsen door 't land. Zullen ze nog eens terugkomen? Ze werden gewoon in auto's vertransporteerd, met militairen met geweren er naast. Dit is weerloze mensen oppikken. Neue Ordnung Europa's!

Donderdag 9 october 1941: Vele Joden die gisteren eigenlijk gearresteerd zouden worden, zijn gaan vluchten. In Doetinchem zijn er maar 4 opgepikt, de rest is gevlucht!

Maandag 13 october 1941:

Wim is vandaag voor 't eerst met de bus gegaan. Hij heeft geen banden meer. Maar hij wil zien dat hij ze gevulcaniseerd krijgt. Hij fietst veel liever.

Dinsdag 14 october 1941:

De Duitsers zijn sinds een week al een heel eind opgerukt, maar nu zijn ze gelukkig weer tot staan gebracht. De Russen zijn geweldig standvastig, als ze dat nu maar blijven, want de Moffen willen maandag 20 october in Moskou zijn. Ik hoop niet dat ze er komen. De Geschiedenis zal het leren...

Vrijdag 26 december, Tweede Kerstdag 1941:

Kerstmis in de oorlog. Er wordt nog geweldig gevochten. De Duitsers trekken in Rusland nog altijd terug. Hongkong door de Japanners bezet. In Libië gaat 't de Engelsen nog steeds goed. De Moffen kunnen nu toch helemaal niet meer verliezen, want de Führer heeft generaal Brauchitz afgezet en zelf 't opperbevel op zich genomen. Men vraagt zich af hoe 't nu af zal lopen. Burgemeester Von Hyden - nu reeds afgezet - en De Monnik zijn v¢¢r de kerstdagen ook weer losgelaten.

Woensdag 31 december 1941, Oudjaar 1941:

Laten we dan hopen dat 't jaar 1942 ons de Vrede en de algehele opgang van ons Mooie Nederland moge brengen! Dat 't Duitse rijk met Hitler en 't Hakenkruis vernietigd worden tot diep in de grond. Dat Koningin Wilhelmina en Prinses Juliana, Prins Bernhard, Beatrix en Irene mogen terugkeren in een algeheel rustig en hersteld Nederland. Dit wenst iedere goede Nederlander!

 

Maandag 22 januari 1945:

Vijfde oorlogsjaar. Na een lange onderbreking heb ik toch weer besloten mijn trouwe dagboek bij te houden.

Nog ronkten vanavond de Engelsen hier over, zonder ons in 1944 te hebben bevrijd. In september hadden we plotseling alle hoop toen onze bondgenoten bij Arnhem landden, maar 't heeft niet zo mogen zijn. Brabant, Zeeland (geheel) en Limburg (gedeeltelijk) zijn bevrijd, maar de Achterhoek is nog Duits. Toch mogen we hier momenteel - ondanks de kou en hongersnood - niet klagen, we zitten nog warm en eten nog genoeg.

Noord- en Zuid-Holland en Utrecht: honger, honger, honger! Men spreekt openlijk in Bisschopsbrieven en een brief van de artsen aan Seys-Inquart over hongersnood. Verschrikkelijke ellende. Dagelijks zie ik ze trekken: hoofdzakelijk vrouwen met zwaarbeladen fietsen bepakt en gezakt met levensmiddelen, over sneeuw en bemodderde wegen, niet denkend als aan honger en huisgezin. Tante Annie heeft erg veel geluk gehad doordat ze net v¢¢r de sneeuwval een reisje per fiets van Utrecht naar hier heeft ondernomen. Ze heeft gelukkig veel mee kunnen nemen, echter ook nog wat hier moeten laten. De terugreis is haar echter zeer, zeer zwaar gevallen; ze had ook een fiets bepakt met 90 kilo levensmiddelen!

Dinsdag 23 januari 1945:

Sneeuw, sneeuw, sneeuw... Met recht is 't winter op 't ogenblik. Ondanks dat alles moet er in Duitsland nog worden gegraven; ook Wim graaft. Ik zelf zit nog steeds op het 'Ratsbureau' te Silvolde. Met de vestiging hiervan is 't echter nog steeds hopeloos. Eerst zaten we bij Meester Jansen, maar die werd ziek en moest er verhuisd worden naar 't Arbeidsbureau, beter gezegd: Evacuatiebureau. Hier heb ik een paar gezellige daagjes doorgebracht met Ben Gerritsen en Jan Huls. (In 'Met het oog op Silvolde', blz. 127, valt het een en ander over het Plaatselijk Bureau te lezen. Omdat daar de levering van voedsel naar Duitsland en het Duitse leger geregeld werd, noemden wij dit burea: 'het Ratsbureau'! 'Ratsen' is het Silvoldse woord voor stelen of gappen, dus onze benaming klopte precies met de werkelijkheid. Het bureau werd overigens 'bemenst' door 'goede Nederlanders', zodat er nog heel wat 'geregeld' kon worden! Kennelijk had men opgemerkt dat ik die tijd niet bij het ziekenfonds werkte, reden waarom men mij vroeg hen te komen helpen. Ik hield me er o.a. bezig met het vervaardigen van valse handtekeningen van de N.S.B.-burgemeester op vrijstellingsbewijzen voor mensen die niet voor de Duitsers wilden gaan werken. Die bewijzen konden eigenlijk alleen door de burgemeester afgegeven worden, maar een ambtenaar van het gemeentehuis voorzag ons van die bewijzen, nog zonder de handtekening van de burgemeester. Op die manier hebben we heel wat Silvoldenaren aan zo'n bewijs kunnen helpen)

Pa komt net terug van Meneer Jaartsveld en heeft iets goeds voor elkaar gekregen. Tevens komt hij met de boodschappen van Meneer Van de Poel uit Den Haag terug; en die mensen hebben hem erg goed ontvangen, maar ze hadden wel erg veel honger!

Pa had ook een pak meegegeven, waar de H.H. Jaartsveld en Heijming voor zorgen dat het goed in Den Haag kwam. Ook waren ze zondag bij de Bisschop geweest om de pakketten voor Utrecht af te zetten. De Bisschop had het pak voor hem bestemd zelf in ontvangst genomen en hen bedankt voor de moeite en zorgen die ze hiermee hadden gehad.

In Den Haag waren ze, in 't Klooster dat voor de distributie zorgde, met open armen ontvangen. Er is nu werkelijk hongersnood in de grote steden. Ze stellen alles in 't werk om nog een keer naar Den Haag te gaan, ondanks al 't vreselijke werk dat ze voor de tijd gehad hebben.

Woensdag 24 januari 1945:

'k Ben vanavond begonnen met 't volgen van een cursus in Engels. De les wordt gegeven door Father Groeleker, Rector op 't St. Clara Klooster. De gehele les wordt er Engels gesproken. De leden onzer club zijn: Mies Smits, Liesbeth Tersteeg, Dolly Tersteeg, Woud Oostendorp, Ben Gerritsen, Ben Tersteeg en ikzelf. 't Gaat er gezellig aan toe...

't Is nog steeds winter; de brand voor de kachel is het ergste; je ziet hele dagen niets anders dan mensen met karretjes vol hout of ook wel bomen. Verschillende mensen zitten in de kou. Vrijdag 26 januari 1945:

Vannacht heeft 't vijftien graden gevroren, 't lijkt wel Rusland. Op 't ogenblik sneeuwt 't weer; er ligt nog een dik pak sneeuw en er komt nog weer wat bij; waar moet dat naar toe? De meeste mensen hebben geen kolen meer en noodgedwongen zagen ze dan wat in de bossen en slepen dat naar huis. 't Is geen goede methode, maar in de kou zitten is ook geen doen! Gelukkig hebben we nog wat kolen en hout te verbranden, maar ja, 't moet toch niet al te lang meer duren. Dat lange duren ziet er anders niet naar uit, gelukkig, want de Russen schieten zo gemiddeld 50 kilometer per dag op en de Tommies twee. Aan 't Oostfront gaat 't zeer snel, hier iets langzamer, maar enfin, ze zullen er wel komen!

Zondag 28 januari 1945:

Ons samenzijn werd onderbroken door de komst van een heer uit Enschede‚, die daar naar Duitsland was geweest om gedaan te krijgen dat zijn zwager, die vanaf october '44 daar in gevangenschap zat, vrij te krijgen. Hij had van alles geprobeerd, maar alles was zonder succes. Hij was gisteren door Emmerich gekomen, maar had zich niet kunnen voorstellen dat een stad van 17.000 inwoners na ‚‚n bombardement er zo uit kan zien, doch vertelde deze Heer: "De bevolking is ook niet meer zo 'Hitleriaans' als in 't begin!" Hij was ook onder de indruk van de behandeling, verzorging enzovoort, van de weggevoerde jongemannen uit ons dierbaar landje. 't Was een verschrikkelijk gezicht, al deze mannen daar te zien lopen, met baarden, versleten kleren enz. enz...

Maandag 29 januari 1945:

De Russen rukken nog gestadig op; ze zijn nu nog 130 kilometer van Berlijn; wat zal er van Duitsland worden?

Woensdag 31 januari - donderdag 1 februari 1945:

De Führer heeft 30 januari - 12 jaar na de machtsovername - toch nog maar zijn mond open gedaan en gezegd dat Duitsland de oorlog moet winnen. Verder heeft hij niet veel gezegd. Hij zal ook wel weten dat de Russen nog 90 kilometer van Berlijn af zitten...

De Engelsen bij Roermond zijn ook wat van plan, volgens de Duitsers...

Gisteravond is hier wel 1000 man infanterie doorgekomen; telkens in groepen, en als maar liedjes zingend gingen ze de grenskant op. 't Is maar te hopen dat ze er over trekken en niet meer terugkomen!

Zondag 4 februari 1945:

Vandaag hebben we de gehele dag zonder elektrisch licht gezeten, ook nu zit ik bij de carbidlamp. In 't Klooster van de St. Clara-zusters is een Nood-Ziekenhuis ingericht voor jongens die vanuit Rotterdam en andere grote steden naar Duitsland zijn getransporteerd en daar ziek zijn geworden of dit reeds waren. Vandaag zouden de eerste 12 aankomen

Maandag 5 en dinsdag 6 februari 1945:

De activiteiten aan alle fronten zijn weer in hevigheid toegenomen; de gehele dag was 't hier merkbaar aan de Jabo's en enkele bommenwerpers die hier overkwamen.

Ook zijn de Heren Rooseveld, Stalin en Churchill met een nieuwe conferentie begonnen; waarschijnlijk om de genadestoot voor te bereiden...

Vanmiddag was hier een Mevrouw uit Nijmegen, die vlak langs de familie Rogmans had gewoond. Deze vertelde ons dat de meeste Nijmegenaren in België zaten, ook Elstenaren. Nijmegen had de eerste dagen van september vreselijk gebrand...

Woensdag 7 februari 1945:

Vandaag heb ik weer een vergadering bijgewoond van de Arbeidsinzet. Op het ogenblik moet de gemeente Wisch 1100 arbeiders leveren; wel te verstaan: leveren! Tot op heden hebben we hier geen razzia's gehad, en de 'Commissie' wil dit zo lang mogelijk voorkomen. (Voor de Arbeidsinzet werden mannen gevorderd die over de grens in Duitsland een soort loopgraven moesten graven, zodat de tanks van de geallieerden niet vanuit Duitsland verder konden richting Achterhoek. De 'Commissie' heeft alleen maar gezorgd dat er steeds minder mannen hoefden te gaan door voor mannen die op de lijsten van de gemeente stonden vrijstelling aan te vragen en er verder niets mee te doen. (Zie ook mijn notitie van zaterdag 10 maart 1945 en Dr. L. de Jong,'Het Koninkrijk Der Nederlanden In De Tweede Wereldoorlog 10A', blz. 262, en 'Met het oog op Silvolde', blz. 230-231)

De Tommies hebben gisteren weer hevig gevlogen; de brug in Doesburg kapot gegooid, de spoorbrug in Deventer en 't station in Doetinchem beschoten.

Vanmiddag heb ik nota bene één uur en 3 kwartier in de rij gestaan om mijn persoonsbewijs en de andere in ontvangst te nemen, waarop genoteerd staat: 'Geprüft und Gültig, 1945, De Burgemeester, Herman Kranen'. Herman zal zich nog wel voelen nu hij al die dingen heeft moeten tekenen ...., een geluk dat hij netjes schrijft!

Vrijdag 9 februari 1945:

't Artillerievuur heeft de hele nacht geknetterd; alles rammelde. Dit ging 's morgens gewoon door, ook de gehele dag.

't Scheen echter dat dit nog niet voldoende was, want gistermorgen om goed acht uur kwamen de Jabo's als uit de lucht gevallen, cirkelden eerst een beetje rond, doken en hebben de villa van de Heer Sassen te Terborg in brand en puin geschoten; ook 't Kantongerecht, waar een Funkstelle in zat, en 't gebouwtje van de Telefooncentrale. 't Was een leven van jewelste. Gelukkig hebben alle mensen in de kelder gezeten, zodat - wat de burgers betreft - maar twee dienstmeisjes van de Duitsers getroffen zijn. Verder is de Generaal, die in 't huis van Sassen zat, dodelijk getroffen, en een zevental militairen.

Ondanks deze beschietingen ben ik toch nog met Oom Jozef naar de begrafenis van Tante Hanneke - dat is een halve schoonzuster van Opa - te Megchelen geweest. In de kerk in Megchelen moesten we echter weer een klein, maar hevig, bombardement meemaken, waarschijnlijk over de grens.

Zondag 11 februari 1945:

De regen valt gestadig neer in de donkere nacht. We zitten hier gelukkig nog warm en met electrisch licht, hetgeen niet veel mensen meer hebben.

't Artillerievuur dat - omdat de Engelsen in de straten van Kleef vechten - hier vandaag zeer goed te horen was, is een poosje stil. Vanmiddag hebben ze de gashouder bij de Terborgsebrug in elkaar gegooid. Terborg is de laatste tijd al dikwijls het doelwit der Jabo's geweest.

Maandag 19 februari 1945:

Maandag ben ik weer voor 't eerst sinds december naar 't kantoor gegaan. (Ziekenfonds Oude IJssel) Gelukkig heb ik weer een behoorlijke fiets, zodat ik elke dag op en neer naar Doetinchem peddel.

Maandag en dinsdag was het erg rustig, maar woensdag was 't of de hel was losgebroken. Toen ik om goed acht uur wegfietste waren de Tommies al in de lucht en ze zijn er de gehele dag in gebleven. Om een uur of negen beschoten ze een boerderij in Dichteren in puin. Om elf uur hebben ze echter zo iets waanzinnigs gedaan, namelijk een bom op 't kantoorgebouw der Waterleiding gegooid, waardoor oud-collega Hubscher zwaar werd getroffen, hetgeen gezien de omstandigheden nog weinig was: ‚‚n gewonde. 't Ergste is echter dat deze collega 's middags is overleden...

Vrijdag was de hel wederom losgebroken. 's Middags hebben ze hevig gebombardeerd en de granaten sloegen in 's-Heerenberg al in. De mensen trekken 's nachts haast allen weg omdat ze er niet meer kunnen zijn...

Woensdag 21 februari 1945:

Goch is bevrijd. Wanneer wij?

De Bisschop van Den Bosch waarschuwt reeds voor al te vluchtige verkering en verloving en zelfs huwelijken tussen de bevrijde dames en katholieken van andere nationaliteit; daar hebben ze er teveel van. Hier hebben we nog geen Tommies gezien.

Prins Bernhard is al overspannen en gaat voor rust naar de RiviŠra.

Zondag 25 februari 1945:

Turkije en China hebben de oorlog aan Duitsland verklaard.

Zondag 4 maart 1945:

Donderdag is weer een dag van zware rouw geworden voor vele mensen, om precies te zijn voor 46 families. In de buurt van Varsseveld zijn door de S.S. 46 mannen doodgeschoten, politieke gevangenen. In Varsseveld zijn ze op het kerkhof in een massagraf begraven. Niemand mocht er bij- of aankomen.

Vanmiddag kwamen hier 500 jongemannen uit Rotterdam, Vlaardingen, Den Haag, Amsterdam en nog enkele steden aan. Ze zijn ondergebracht in de Jongensschool.

Dinsdag 6 maart 1945:

Churchill is dit weekend aan het front bij Roermond geweest en is vandaag weer vertrokken. Hij heeft de Siegfriedlinie bezichtigd, de linie waarvan Hitler gezegd heeft dat er niemand door zou komen.

Zaterdag 10 maart 1945:

Oliepitje, stinkpitje enzovoort... Wat een ramp dat er geen electrisch licht is ..., gezellig tot 9 uur, al vier avonden lang zitten schemeren...

Deze week heb ik achter de vrijstellingen voor de graverij aan gezeten en heb deze nog niet gekregen. Donderdagmorgen hadden ze ze nog niet klaar. Gistermorgen moest ik terug komen en toen zat er een OT-vent die begon te kafferen ..., en of ik niet begreep dat hun liever hadden dat er gegraven werd op 't ogenblik enzovoort enzovoort... Nou, of ik dat snap, vooral nu de Tommies de Rijn over zijn, er diverse jonge snuiters terugkomen. Waarschijnlijk komen die uit Utrecht, Noord- en Zuid-Holland; die willen ook al een eindje dichter bij de grens zitten.

Vandaag had ik me voorgenomen om flink wat stroop uit de bieten te gaan maken...

Dinsdag 13 maart 1945:

't Melden der mannelijke personen stond deze twee dagen weer in de volle belangstelling van eenieder. Zondagmorgen hingen overal weer aanplakbiljetten, waarin de mannen van 16-60 voor de zoveelste maal - de tel raakt een gezond verstand hiervan tegenwoordig kwijt - aan 't verstand werd gebracht dat alle vrijstellingen wederom ongeldig waren; eenieder die in deze jaren viel was verplicht zich persoonlijk te melden!

Naar aanleiding hiervan waren er - evenals bij ons - waarschijnlijk bij verschillende andere mensen hevige debatten aangaande dit onderwerp: wŠl of niet melden? Toen Wim dan ook om drie uur van zijn Todt-werkzaamheden terug kwam werd er nogmaals hevig over gediscussieerd, met als gevolg .... dat Pa met zijn en 't persoonsbewijs van Frans naar 't meldingsgebouwtje stapte. (Dit was, meen ik, ergens aan de Terborgseweg, het gebouw waar ook de radio's die ingeleverd waren, stonden opgeslagen) Circa 10 minuten later kwam hij terug met de mededeling dat de Ned. Todt van hun diensten op 't gebied van de spitterij gebruik wenste te maken; met andere woorden dat de zwarte S.S.-er de persoonsbewijzen in zijn nog zwartere zak had gestoken, met de mededeling de volgende morgen, dus gistermorgen, om 8 uur bij 't gebouwtje aanwezig te zijn met de nodige ingredi‰nten, als schop, brood enz., om vandaaruit vertransporteerd te worden naar hunne arbeidsvelden. Aangezien de inname van de persoonsbewijzen nogal vlot verliep, trokken ook Wim en ik de jas aan ... om onze persoonsbewijzen naar de 'zwarte jaszak' te brengen. Nog diezelfde zondagavond werd er hevig gesproken en 't onderwerp was steeds weer: hoe komen we er 't makkelijkst af?

Zondag 18 maart 1945

Om 6 uur heb ik veel hoog Duits spul gezien, misschien - hopelijk - voor de eerste en laatste keer. CaféDMeijer was dusdanig bewaakt door de Feldgerdarmerie enz. Onder andere waren er bij: drie generaals, ‚‚n nog hogere en verder - iets minder in rang - van Pantser, luchtmacht en weermacht... (De Pantservoertuigen vormden een aparte duitse devisie)

In Brabant rukken de Engelse en Amerikaanse pantserafdelingen op...

Maandagmorgen 19 maart 1945:

Schitterend, zacht voorjaarsweer; echt weer om te spitten... Alle mannen zijn reeds vroeg uit de veren om ijverig te gaan graven voor de Duitse Wehrmacht, of niet natuurlijk! Enkelen die er toch zijn, de rest die graag vrij wil zijn, gaat 5 over achten, en degenen die er zeker van zijn dat ze vrij komen, gaan nog later. Ook wij met z'n drie‰n behoorden tot de laatste categorie. Onderweg schoot Pa een hauptman aan; die verzekerde hem dat een Friseurmeister toch zeker vrij moest zijn. Ik kon direct wel weer naar huis gaan ...., omdat ik op de ziekenlijst stond... In Terborg wisten de Todt-mannen niet wat ze met al die Leute moesten beginnen, waarna ze al spoedig bevel gaven dat alle arbeidskrachten naar huis konden gaan ... en de volgende morgen om 7 uur present moesten zijn. Daarna begon voor Pa 't werk (scheren en knippen), hetgeen 't resultaat opleverde dat hij - dankzij de Duitse Wehrmacht - zichzelf en Frans vrij kreeg, zodat we weer allen, behalve Wim, 'von Schanzarbeit befreit sein!'

Deze morgen zullen we om meerdere redenen niet licht vergeten. Om 8 uur was alles nog rustig, vooral v¢¢r in de kerk, waar vanwege 't St. Jozeffeest veel mensen bijeen waren. Plotseling: 't geluid van Jabo's! en de hel brak los... Ik sprong naar buiten en zag net de eerste jager naar beneden duiken... Ik weer naar binnen! 't Donderde en knalde dat 't geweldig was... Na de eerste aanval lagen er bij ons thuis de ramen al uit en ik hoorde ook al meteen dat 't kasteel Schuilenburg beschoten werd... Ze hebben gelukkig alleen 't kasteel geraakt! Dat hebben ze dan ook geweldig goed geraakt! Er zaten Duitsers in! Na de eerste aanval zijn ze (de Jabo's) nog drie keer opnieuw geweest, dus of we de kelder in wilden... Na de glasschade te hebben opgeruimd, moest ik - alhoewel ik er niet veel zin in had - naar Varsseveld voor de vrijstellingen.

Woensdag 21 maart 1945:

Nog weer een oorlogslente. In Doetinchem, 5.15 uur in de middag. Daar ik om 5.30 uur naar de  Engelse les moest, stond ik om 5 uur in de gang om mijn jas aan te trekken, terwijl 't tamelijk rumoerig was in de lucht. Opeens zag ik op straat mensen dekking zoeken ... en hoorde ik 't naar beneden komen van een bom... Ik wilde de keuken in vluchten, maar daar de ramen om mijn oren vlogen, sprong ik weer terug en wilde in de timmerwerkplaats in de kelder vluchten... Toen vielen er zeven bommen... Horen en zien verging je...

Na enkele minuten durfden we even boven te komen en zagen een ontzettend dikke, smerige rookwolk opstijgen, waardoor men niets meer van de binnenstad kon zien... Weer moesten we de kelder in ... en toen we er weer uitkwamen zagen we niets dan puin in de binnenstad en brand op de Terborgseweg ... en hoorden we ontzettend kermen en kreunen van gewonden... Lang durfde ik niet meer te blijven, 'k ben haastje-repje naar huis gefietst... Bij ons konden we 't nog zien branden ... en de smerige rook trok nog verder dan Silvolde...

Donderdag 22 maart 1945:

De volgende morgen ben ik weer naar Doetinchem gefietst en kwam daar goed van pas. Eerst hoorde ik dat Moeke Scheerder, alwaar in de bakkerij een voltreffer was gevallen, door 't neerstortende puin was bedolven en dodelijk was getroffen. Het hele huis was totaal verwoest, evenals de gehele Boliestraat, Hamburgerstraat, Waterstraat, IJsselkade, Thorbeckestraat...

Vrijdag 23 maart 1945:

Overdag was 't tamelijk rustig, maar tegen de avond, om 17.20 uur, begon 't ineens zo geweldig te donderen dat we eerst niet wisten wat of dat toch voor hels lawaai was. Al spoedig bleek echter dat 't granaatvuur was dat achter Gendringen, en later zelfs in Gendringen, terecht kwam, waardoor de Silvoldse boer Vossers dodelijk is getroffen.

Voor ons, die iets dergelijks nog nooit hadden meegemaakt, was 't een ontzettend kabaal... Gauw werd er dan ook besloten om de bedden op te pakken en beneden te gaan slapen. 't Is wel niet zo zacht om op de keukenvloer te liggen, maar wel zo veilig, dicht bij de kelder. De gehele nacht ging dit gedonder door, om tegen de morgen op te houden.

Zaterdag 24 maart 1945:

Nauwelijks echter was 't granaatvuur afgelopen, of de Jabo's kwamen - soms met 20 stuks en meer - en beschoten diverse doelen. Dit was zo erg dat we geregeld in de kelder moesten vluchten ... en bijna geen tijd hadden om wat te eten...

Tegen één uur hebben ze de boerderij van Jan Tangelder in de Kroezenhoek beschoten, waardoor Tangelder en zijn vrouw werden gedood. Dit beschieten was niet van de lucht en alle richtingen uit werd er gebombardeerd en beschoten. Zaterdagavond begon 't granaatvuur weer.

Zondag 25 maart 1945:

Vandaag kwamen de Jabo's weer. De angst zat zo in de mensen dat de Pastoor afkondigde dat 't geen verplichting was om de Mis te horen; 't was dan ook weer dunnetjes. De Mis van 9 uur duurde precies 20 minuten, dus zeer kort, in ogenschouw nemend dat 't Palmzondag was, dus de passie moest worden gelezen, die de kapelaan dan ook maar oversloeg.

Onder 't eten vielen er weer bommen (granaten), waardoor Meester Siebelink, Hoofd van de Openbare School, gewond werd. Nog drie uur heeft hij geleefd en was hij bij volle kennis, terwijl hij bij zijn woning op het grasveld lag ..., waarna hij is gestorven met de worden: "Ik heb het altijd gezegd: er moeten slachtoffers vallen, en daarvan ben ik er ook ‚‚n..."

Maandag 26 maart 1945:

Vannacht weer artillerievuur dat zeer dichtbij was en hevig. Er wordt zelfs beweerd dat de Engelsen in Klein-Netterden zitten en feit is 't dat  er hier bij Dales op de hoek ‚‚n Duitser staat met een pantzerfaust...

Goede Vrijdag, Vrijdag 30 maart 1945:

Vanmiddag werd 't granaatvuur - sinds 10 dagen al goed hoorbaar - zeer goed te horen, zo erg zelfs dat er in de kapperssalon al niemand meer verscheen. Tegen 4 uur kwamen er van alle kanten gekke berichten als: de Engelsen zitten in de Kroezenhoek, de Engelsen zitten op de Ulftseweg ..., en niemand geloofde 't ..., tot 't bericht vanuit onze toren kwam dat er tanks in de Kroezenhoek gezien konden worden!

Telkens kwamen er andere en verschrikkende berichten, zoals: die boerderij brandt en dat huis is weg. Doch ook 't granaatvuur werd steeds erger en plotseling sloegen er granaten in op het Marktplein, waardoor wij enigszins begonnen te geloven dat de Engelsen dichterbij kwamen. Om vijf v¢¢r half vijf vluchtten we de kelder in. Steeds hoorden we 't vuur van 't machinegeweer en 't trommelvuur van de pantserwagens dichterbij komen. Plotseling werden we hevig opgeschrikt door 't knallen van dichtbij, we hoorden niets dan schieten... Horen en zien verging ons. Eindelijk begonnen we dan toch te geloven dat de Engelsen dichterbij waren gekomen...

Opeens: een hard schot ..., waarna 't even rustig was. Volgens mij werd er door de gang geschoten... Frans durfde even naar boven en hij zei dat het inderdaad zo was... Ze hadden door onze deur geschoten, 't deksel van een melkbusje kapot geschoten en de kogel was op de tegeltjes afgeketst. Nadat 't even rustig was geweest begon 't gedonder en mitrailleurvuur opnieuw! En toch hebben we toen niet veel angst gehad! Bij half 7 werd het wat rustiger en om kwart v¢¢r 7 werd Pa zo onrustig dat hij zich niet langer kon bedwingen en naar boven ging om te kijken... Hij kwam terug met de woorden: "Och jongens, kom toch us gauw, de Engelsen staon op t Marktplein!"

Wij zo vlug als we konden naar boven ... en jawel hoor!, er stond een kleine pantserwagen v¢¢r 't Markplein en diverse Tommies liepen rond om te zuiveren. Onder bij 't plein stonden er ook wat en wij liepen er als de weerga naar toe, een hand geven en spraken 't eerste beetje Engels met een echte Londense Tommie! Wat was dat heerlijk de eerste echte Londense Tommie te zien! Nooit zal ik dat lachende gezicht van die vent vergeten!

Ze waarschuwden ons dat we nog in huis moesten blijven omdat er nog niet gezuiverd was. Langzamerhand werd 't donkerder en er kwamen twee Engelsen om ons te vragen of er bij ons wat konden slapen. Natuurlijk was dat goed en al gauw hadden we de hele kamer vol zitten met Tommies die van onze - lang bewaarde, vooroorlogse - thee zaten te drinken... Dankzij de Engelse lessen kon ik ze tamelijk goed verstaan en kreeg ik een compliment van ze dat ik zo goed Engels sprak. Tot 12 uur zijn we er mee druk geweest, niet wetend dat 't nog erg gevaarlijk was. Ze hebben gegeten en thee gedronken; om 11 uur werd zelfs nog een gewonde verbonden.

 

handtekeningen 1 april 1945

 

Het is waarheid; hierboven staan 3 namen van de 20 Engelse soldaten die we in de nacht van vrijdag 30 op zaterdag 31 maart als gasten in ons huis hebben ontvangen... (militairen van de Guards Armoured Division)

Na vijf jaren oorlog is 't dan eindelijk zo ver gekomen dat wij vanuit Duitsland door de Engelsen zijn bevrijd!

Zaterdag 31 maart 1945:

's Nachts hebben we nog in de kelder geslapen en de volgende morgen kregen we van alles wat mee: thee, biscuits, vlees en pudding in blik, sardientjes enz. 't Was een heerlijk iets!

Plotselinge echter kwamen we tot de ontdekking dat ze pas bij de Dennenberg zaten, zodat 't dus voor ons nog erg gevaarlijk was. Om goed elf uur moesten we dan ook nog de kelder weer in omdat we Duits granaatvuur kregen. Toen werd 't pas erg voor ons; de gehele middag sloegen er granaten in!

Tussen de bedrijven door ging er eens ‚‚n even kijken en telkens was er meer kapot; de kerk beschadigd, de muziektent kapot; we dachten: er blijft niets over... Tegen de avond werd 't eerst iets rustiger, maar tegen acht uur begon 't gedonder opnieuw. 't Werd zelfs later zo erg dat we telkens mitrailleurvuur hoorden en Engels trommelvuur en afschieten van granaten. We waren ontzettend bang en dachten telkens dat de Duitsers weer waren opgerukt.

Dit is voor ons de ernstigste nacht geweest. De ergste gedachte voor ons was dat we telkens meenden dat de Duitsers terugkwamen... We hadden ontzettend slaap, maar werden telkens door 't afschieten van de granaten wakker gehouden. Gelukkig wisten we niet - dit merkten we de volgende dag pas - dat de tanks die de granaten afschoten op 't Marktplein stonden en dat de Duitsers nog maar weer eens tot de Dennenberg waren geweest!

Eerste Paasdag, zondag 1 april 1945:

't Was Eerste Paasdag en 't leed was spoedig verdwenen, temeer daar er ontzettend veel tanks en andere wagens doorkwamen, waardoor we gelukkig iets rustiger werden. 's Middags was 't zwart van 't volk en de doortocht bleef maar doorgaan. Iedereen zwaaide en ook de Engelsen zwaaiden terug!

Van granaatvuur hadden we niets meer te lasten. 's Nachts hebben we nog wel in de kelder geslapen...

Maandag 23 april 1945:

De toestand van Duitsland is in haar laatste stadium, van alle kanten rukken ze op naar Berlijn, waarin de Russen reeds vechten. Op zijn 65ste verjaardag profeteerde Adolfje nog: "Berlijn zal een Duitse stad blijven en Wenen zal dit weer worden, indien we 't nieuw ingezette offensief der Russen zullen kunnen tegenhouden."

Dit is niet gelukt; zondagmorgen meldde Radio Oranje dat de eerste granaten 'Unter den Linden', het centrum van Berlijn, vielen en dat ze spoedig daarna overal neerkwamen. De standbeelden der grote mannen van 't Duizendjarige Rijk zullen gekke sprongen hebben gemaakt! Nog vertelde Goering (of Goebels?) dat allen mee moeten werken aan 't herscheppen van Berlijn in een vesting... Dus alles is aan 't Totten, kinderen van 12-14 doen mee, echte Hitlerjongens dus...

Erger is 't echter voor de Utrechtenaren en Hollanders die volgens de radio achter een muur van water gevangen zitten. Wat zullen de S.S. en de moffen nog met hen uitvoeren? Mensen die nauwelijks nog 400 gram brood en 2 kilogram aardappelen per week krijgen...

Vandaag heb ik me, naar aanleiding van een oproep van de Minister van Marine, vrijwillig gemeld voor de administratie van de Marine.

Zondag 29 april 1945:

Het groot Duitse Rijk stort langzaam ineen! 't Bericht kwam dat Himmler, Reichsführer S.S., aan Engeland en de Verenigde Staten de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland aanbood... Het grote Duizendjarige Rijk biedt zich aan... Goering, de dikke, verwaande eerste man im Dritten Reich is reeds geëxecuteerd... En Hitler zal ook wel dood zijn... 't Bericht is zojuist doorgekomen dat hij aan een hersenbloeding lijdt en stervende is... In de Vesting Holland is 't nog steeds 't zelfde; vandaag is echter in de plaatsen Rotterdam, Den Haag en Leiden voedsel per vliegtuig uitgegooid!

Mussolini, Graziano en nog enkele lui der fascistische beweging zijn reeds doodgeschoten, hun lijken zijn tentoon gesteld...

Juist hebben we het bericht gehoord dat Hitler ernstig ziek was...

(N.B. Goering is toen niet dood geschoten, maar later in het Neurenberg-Proces ter dood veroordeeld. Hitler was toen niet meer ernstig ziek ..., maar reeds in zijn Berlijnse bunker gecremeerd)



23. oorlogsherinneringen uit Silvolde door H.G.A. Starink

Toen in september 1944 de geallieerde legers een geslaagde landing hadden uitgevoerd in Normandië en daar een stevig bruggenhoofd hadden gevestigd was te voorzien dat het Duitse leger verder zou worden teruggedrongen en bij het terugtrekken achterliggend land zou bezetten en ook wij nog wel eens bezetting konden verwachten van het Duitse leger , waarvan wij tot dan toe na de inval op 10 mei 1940 en de doortocht naar het westen nog niet veel hadden gemerkt.
Behalve dan de van hogerhandgenomen maatregelen , zoals de gedwongen tewerkstelling in Duitsland en het zogenaamde schansen , wat betekende dat er elke dag met een groep mannen gewerkt moest worden voor het Duitse leger aan loopgraven of stellingen maken voor luchtafweergeschut.
Maar met een bezetting zou daar ook nog bijkomen het huisvesten van het Duitse leger met alle gevolgen voor de hier wonende bevolking.
Burgemeester Boot wilde dit ook graag met zo weinig mogelijk overlast voor de bevolking regelen en vroeg mij hierbij op te treden als kwartiermeester. Hij zei er wel bij dat dit misschien niet het prettigste werk was , maar
als ik opdrachten kreeg die tegen mijn geweten waren , ik dan maar moest onderduiken, wat hij zoals later bleek ook zelf heeft gedaan. Ik heb toen maar toegestemd en zo ben ik er ingerold. Ik was inmiddels verhuisd van de Marktstraat naar de bovenwoning boven het Arbeidsbureau op de hoek van de Kerkenstraat en de Ulftseweg daar waar nu nog groentezaak Mulder is gevestigd.

Ik ben begonnen me te installeren op het bureau van de Rijkspolitie , destijds de eerste woning in de Tuinstraat in Terborg. Korstanje was daar de groepscommandant en verder was er wachtmeester Fel. De eerste dagen was het rustig ,geen Duitser te zien. Tot op een avond dat ik daar op het bureau zat met Korstanje we in de verte lawaai hoorden. Het kwam van de kant van Silvolde en we gingen naar de Rijksweg bij de Roode Leeuw. Het bleek een pantsercolonne te zijn die vanaf Silvolde kwam aanrijden.Korstanje en ik gingen uit veiligheidsoverwegingen maar bij het postkantoor achter een muur staan en zagen een zestal pantsertanks met hele kleine afgeschermde lichtjes voorbij rijden. Later bleek toen ik weer in Silvolde kwam dat zij daar bij café Harbers een hoek uit de muur hadden gereden.Thuis werkte ik plannen uit voor het geval Silvolde moest evacueren. Ik kreeg daar een telefoontje van het gemeentehuis dat er 800 evacué’s vanaf ’s-Heerenberg naar Silvolde onderweg waren en ik moest maar maatregelen treffen om die groep ’s avonds op te vangen en onerdak te brengen. Goede raad was duur, ik zat alleen en had niets. Ik heb toen de E>H>B>O>ploeg van de Luchtgescherming maar opgeroepen en met hen overlegd wat te doen. We besloten de meisjerschool van St.Clara te vorderen en daar een paar lokalen van te ontruimen voor de eerste huisvesting van de evacué’s. De banken werden er uit gehaald en bij de boeren stro gehaald. Dit werd in 2 lokalen gelegd achter steigerplanken ; 1 lokaal voor de mannen , 1 lokaal voor de vrouwen en kinderen en verder 1 lokaal om overdag te verblijven.
Wat de voeding betreft schakelden we de Boterfabriek “De Eendracht “in . Die was aangewezen als noodkeuken en zou als zodanig bevoorraad worden. Men had daar echter niets anders als een bus stroop en een zak meel gekregen. Daarvan kon men alleen karnemelkse pap koken, zodat de mensen als ze ’s avonds kwamen in elk geval wat warms konden krijgen. Gelukkig kwam er ’s avonds een veel kleiner aantal als opgegeven was. De meesten waren onderweg vanaf ’s-Heerenberg bij boeren en bekenden blijven hangen en hadden daar al onderdak gevonden.Er was ook een boerenwagen bij vol goederen die men nog van thuis had meegenomen. Die werd achter mijn woning in de schuur van Kemperman, die we inmiddels daarvoor gevorderd hadden, voorlopig gestald om de andere dag definitief onderdak te krijgen.

De dagen daarna bleven de evacué’s echter maar komen, n.l. uit Groesbeek en omgeving en later ook uit Millingen en Groessen.Door de grote aantallen die bij boeren in schuren en stallen moesten worden ondergebracht moest de voeding centraal geregeld worden door ons. We haalden daarom aardappels en groente , vooral kool op en via de plaatselijke bureauhouder werd een boer aangewezen die een varken moest leveren dat geslacht werd en het vlees in de grote ketels werd meegekookt.
Toen het eenmaal liep met de noodkeuken was inmiddels de distributie van het eten ook geregeld. Elke avond kwamen de helpers op het kantoor met de aantallen evacué’s, die bij de verschillende adressen waren ondergebracht. Dit werd dan doorgegeven aan de noodkeuken, zodat men wist voor hoeveel personen men de volgende dag moest koken.Het eten werd in kleine en grote gamellen en pannen rondgebracht met bakfiets, transportfiets of paard en kar. Ook de bakkers werden ingeschakeld voor het bakken van het brood, waarvoor men extra meel kreeg. Voor de distributie was een speciale ploeg geformeerd die ook voor de aanvoer van de ingrediënten zorgde. We hadden zo een E.H.B.O.ploeg voor de medische en hygiënische zaken, een voedingsploeg voor de aan-en afvoer van voeding en een huisvestingsploeg die onderdak zocht voor de vele evacué’s die nog steeds naar ons toekwamen. De E.H.B.O.ploeg stond onder leiding van C.Pain en B.ter Steeg en kon rekenen op hulp en steun van Dr.Ris. De voedingsploeg werd geleid door Th.Gerritsen ; de huisvestingsploeg regelde ikzelf, omdat dit door elkaar moest lopen met de inkwartiering van de militairen en de onderbrenging van de onderduikers.Verder werkte  voor de administratie mej.W.Kummeling nog mee, die dagelijks op ons bureau zat, dat inmiddels was uitgebreid tot 2 kamers, omdat het Arbeidsbureau aan 1 vertrek genoeg bleek te hebben.
Toen de evacuatie begon heb ik Terborg voor de inkwartiering van de Duitse militairen moeten afstoten want dat was teveel werk en ik kon in Silvolde ook niet gemist worden. Ik was n.l. de enigste gemeenteambtenaar die in Silvolde woonde. Daar kwam nog bij dat ik de leiding kreeg van de plaatselijke luchtbescherming en soms hele nachten in touw was                                                                                                                       


24. Een Silvolds dagboek over het laatste oorlogsjaar door Henri de Grood

september 1944 – juni 1945

 

1999 okt Henri

Henri de Grood

Nijmegen 2000


Inleiding

Vanaf begin september 1944 tot begin juni 1945 heb ik, toen leerling zijnde van het Gemeentelijk Lyceum Doetinchem, in mijn "Dagboek voor de H.B.S." aantekeningen gemaakt van wat ons gezin en vooral onze buurt in Silvolde overkwam en van wat wij hoorden over andere Silvolders en verdere kennissen en familieleden en soms onbekenden.
Die aantekeningen waren gemaakt in telegram-stijl. Na een jarenlang vaag idee, ze ooit eens uit te werken, ontstond het concrete voornemen daartoe door een impuls vanuit een andere bezigheid, n.l. bij het beschrijven van mijn familie-geschiedenis, die kort geleden als

GESCHIEDENIS VAN HET GESLACHT DE GROOD
UIT HET SCHEPENDOM VAN NIJMEGEN

 het licht heeft gezien en terug gaat tot ca.1605. Toen mij de opzet van die GESCHIEDENIS geleidelijk duidelijk werd, bleek zij evenwel geen geschikt kader te worden voor het uitwerken van de agenda-aantekeningen. Daarom en omdat de aantekeningen behalve een stuk gezinsgeschiedenis ook een stuk dorpsgeschiedenis bevatten, besloot ik ze als DAGBOEK afzonderlijk op schrift te stellen.

Toelichting op de opzet

De basis, n.l. de aantekeningen in telegram-stijl, heeft tot gevolg dat het uitgewerkte geheel een nogal droge opsomming is, waarbij wel hier en daar doorklinkt hoe, en tegen welke achtergrond, wij zelf de gebeurtenissen zagen.
Ik denk, dat zo'n sobere weergave van wat met mensen geschiedt genoeg dramatiek en romantiek in zich heeft om levensecht te zijn en dat het verhaal ervan geen opsmuk of sensationele weergave nodig heeft - en zelfs niet verdraagt, wil men geschiedvervalsing vermijden.
Hier en daar kon ik aantekeningen niet meer lezen of begrijpen. Ze waren met potlood geschreven, met opzet niet al te duidelijk en met vele afkortingen, want zelfs (achteraf, in een vrije samenleving) onschuldig lijkende aantekeningen konden toen in verkeerde handen terecht komen en daar verdenkingen teweeg brengen en waren dus niet zonder risico. Na ruim een halve eeuw was het potlood bovendien ietwat vervaagd, terwijl dan het geheugen ook wel eens wilde haperen. Ook was mij van een deel van de in de aantekeningen genoemde personen indertijd al niet duidelijk, wie zij waren en dat deel is sindsdien alleen maar toegenomen. Toch heb ik ook die namen van onbekenden bij het uitwerken gehandhaafd omdat wellicht lezers of lezeressen uit Silvolde of omgeving zich nog wel herinneren wie er achter schuilgaan of -gingen.

Nadat ik mijn aantekeningen uitgewerkt had, heb ik het ontwerp voor dit DAGBOEK aan mijn zusters Diny, Jetty en Rufi ter inzage gegeven. Om waar mogelijk aanvulling en verbetering te krijgen omdat zij in het laatste oorlogsjaar ook nog thuis woonden. Daaruit zijn enkele verbeteringen en - van Diny's hand - een aantal aanvullingen voortgesproten. Er bleek mij toen ook, dat onze Vader, B.A. de Grood, indertijd al een soort dagboek geschreven had, merendeels in al uitgewerkte teksten. Het was na zijn overlijden bij Diny terecht gekomen. Ik heb daarvan vele delen die aanvullende inlichtingen bevatten overgenomen in het DAGBOEK dat nu voor u ligt; ze zijn met een b gemerkt en de aanvullingen van Diny met een d.

Soms kwam ik passages en termen tegen, die zonder toelichting voor latere generaties dan de mijne niet te begrijpen zouden zijn; die heb ik met een duidelijk gemarkeerd N.B. toegelicht.Voor het overige heb ik geprobeerd alles weer te geven met handhaving van het letterlijke woordgebruik, het kennisniveau van een bezet en monddood geterroriseerd volk en het levensgevoel, zoals die tijdens het maken van de aantekeningen gangbaar waren. Modernisering van de taal, zelfs goed bedoelde, houdt eveneens te licht het gevaar van geschiedvervalsing in.
Om weinig zinvolle herhaling van steeds dezelfde soort mededelingen te vermijden, b.v. over het luchtverkeer of de luchtgevechten, het doortrekken van soldaten met wagens, kanonnen  of tanks, het telkens verplichte zich melden voor "arbeidsinzet" enz., heb ik van die mededelingen de meeste weggelaten of samengevoegd en alleen de belangrijkste afzonderlijk vermeld.
Het spreekt vanzelf, en blijkt ook vaak uit de tekst, dat veel feiten vanuit "horen zeggen" opgetekend zijn en dat ik dus voor de inhoud er van niet kan instaan en niet hoef in te staan.

Tegenover de passages waarbij, als boven aangestipt, het potloodschrift en het haperende geheugen vervaging teweeg brachten, staan er vele die nog ongelooflijk scherp in mijn geheugen staan. De natuur zorgt er blijkbaar voor, dat abnormale situaties en gebeurtenissen die ons in ogenblikken van hoogspanning overkomen, extra scherp in ons geheugen gegrift worden.

Bij de herinneringen die het lezen van dit DAGBOEK over feiten oproept zullen ook pijnlijke zijn. Dat is onvermijdelijk omdat sommige feiten nu eenmaal pijnlijk waren en het verzwijgen ervan geschiedvervalsing zou zijn. Wie geen pijnlijke - plaatselijke of nationale - herinneringen wil, kan geen geschrift over wat geschied is ter hand nemen, want de kleine en grote geschiedenis zijn er vol van en geenszins zo glorieus als men ons om allerlei redenen wil doen voorkomen.

Bestemd voor wie?

Dit DAGBOEK is vooreerst te boek gesteld voor mijn familie-leden: tijdgenoten zowel als  nazaten. Hoe verder die nazaten van mij afstammen en hoe verder ze van Nederland verwijderd zullen zijn, m.a.w. hoe meer de verhaalde gebeurlijkheden voor die nazaten tot "geschiedenis" gestold zullen zijn, des te fascinerender zal die de wereld van toen op hen nu overkomen. Hoe graag zou ik zelf van voorouders - op hùn manier verteld - vernomen hebben wat b.v. het verstarde regentendom van de 18e eeuw of de rampzalige tijd van de Franse revolutie en Bataafse nasleep, of het rampjaar 1672, of het door prins Maurits gewelddadig terugbrengen van Nijmegen tot de groep opstandige gewesten met de onmiddellijk ingezette terreur tegen de katholieken, of een opgewektere tijd als na de Vrede van Munster, voor hun persoonlijke, gewone dagelijkse leven concreet betekend hebben.

Helaas, als landlieden en stadsboeren in een eeuwenlang onderdrukt en arm gebied, dat goed genoeg was om als schootsveld voor Holland te dienen, kwamen ze er niet aan toe, tijd te besteden aan boodschappen voor hun nageslacht.
Onze tijd met haar welvaart, technisch comfort en ruime vrije tijd biedt onvoorstelbaar betere mogelijkheden.

Wanneer het DAGBOEK behalve aan familie-leden tevens dienstig zou kunnen zijn b.v. als een bijdrage aan de geschiedschrijving (door anderen) van Silvolde, zou ik dat een goede zaak vinden. Evenals voor de familiegemeenschap geldt voor een dorpsgemeenschap dat, wie daarin thuis wil raken, de historische dimensie niet kan missen.

Er is enige tijd geleden al een eerste omvangrijk en voortreffelijk werk over de geschiedenis van Silvolde uitgekomen. Met het oog op latere drukken of aanvullende danwel zelfstandige uitgaven kan van dit dagboek gebruik gemaakt worden. Ook in het dorp of de streek werkzame historische of aanverwante verenigingen of stichtingen dan wel docenten geschiedenis of "maatschappelijk/culturele oriëntatie" aan de diverse bloeiende instellingen van onderwijs die Silvolde rijk is, danwel anderen die hoe dan ook bijdragen aan het te boek stellen van Silvolds geschiedenis, kunnen  passages overnemen op de wijze die hun goeddunkt, mits uiteraard met de gebruikelijke bronvermelding. Bericht daarvan zal ik op prijs stellen.

Ook als er behoefte is aan toelichting of andere hulp, ben ik gaarne bereid, te proberen die te geven.

Mr. H.A. de Grood   

Nijmegen, 2000

1950 ong Silvolde

Het huis aan de Terborgseweg, nr. 123 (later nr. 45), waar de schrijver als jongen woonde. Een latere bewoner, notaris Reijers, heeft de ronde serre vervangen door een garage.

 

 

EEN  SILVOLDS  DAGBOEK  OVER  HET  LAATSTE  OORLOGSJAAR

 

september 1944 - juni 1945


 

 

1944

- 1 september. De Geallieerden nemen Sedan in (b).

- 4 september. Geallieerde legers, vanaf 6 juni 1944 ("D-Day") met een armada van  4.000 schepen in Normandië aan land gebracht (operatie OVERLORD), bezetten Antwerpen en zijn haven. Met die grote haven in handen hopen de Geallieerden hun ontzaglijke probleem te verlichten van het bevoorraden van hun legers die Europa binnenstromen.
(N.B. Het gaat om oprukkende legers van één miljoen man, die op korte termijn zullen aangroeien tot twee miljoen man - aldus het boek INVASIE '44, van J.F.Turner, uitg. A.W. Bruna & Zoon, Utrecht 1961 b. 35. HG).
En ten Zuiden van Eindhoven zijn op deze dag geallieerde legers de Nederlandse grens genaderd. Na de luchtoorlog van de afgelopen jaren komt nu ook de grondoorlog in ons eigen land; en ook onze streek zal nu wel frontgebied worden. Daarmee heeft Nederland

  4 ½ jaar geleden bloedig kennis gemaakt en wij zien dus een herhaling met angst en beven tegemoet, maar verwachten nu ook spoedig bevrijd te worden.
(N.B. Wij hadden de berichten over de landing in juni '44 het eerst van een Engelse radio-zender gehoord. Die zond al enkele jaren enige malen per dag een Nederlands programma uit, dat "Radio Oranje" in Londen verzorgde. Het beluisteren daarvan was verboden en als zodanig clandestien en strafbaar; het moest dus omzichtig gebeuren en dat kon niet elke dag. Duurde het wat lang om nieuws te krijgen, dan waren we bij smid Van Raaij welkom om even bij te tanken. Het programma werd steevast aangekondigd met de 4 eerste noten van Van Beethovens Vijfde Symfonie, in Morse-sein (3x kort, 1x lang) de V van victorie. De in Nederland zelf, onder Duitse censuur staande, uitkomende radio en dagbladpers (ik  geloof dat van de landelijke dagbladen de Telegraaf het langst mocht verschijnen en dus het slechtste oorlogsverleden heeft, maar het volk vergeet blijkbaar snel) maakten de voor    Duitsland ongunstige oorlogsberichten stelselmatig vertraagd (en uiteraard verdraaid)  bekend. Het bericht over deze landing was extra vertraagd geweest doordat de Duitse hoogste bevelhebber aan de Atlantik Wall, Erwin Rommel, in Brussel uit passagieren of in Duitsland op bezoek èn voor zijn ondergeschikten onbereikbaar was en het Duitse hoofdkwartier daardoor zelf pas laat zekerheid kreeg. (HG).

- 5 september is Dolle Dinsdag. Geruchten willen dat de Geallieerden  Breda bevrijd hebben. NSB-ers vluchten naar Duitsland.
In Silvolde passeren deze vluchtelingen in tramwagons van de Geldersche Tramweg Maatschappij en open wagens, volgepakt met fietsen en bagage, over de Terborgseweg en Ulftseweg en met paarden en karren over de Dinxperloseweg. Het vluchten naar hun (ideologisch) Grosze Vaterland is een landelijk verschijnsel. Het is voor ons een teken dat ook zij denken dat hun tijd voorbij is en dat geeft de burger weer moed.
(N.B. De Gelderse Tram Wegen (G.T.W.) hadden voor de oorlog de stoomtrams vervangen door autobussen; de rails waren nog blijven liggen.. Door de Duitse bezetting en leegplundering van het welvoorziene Nederland ontstond hier schaarste aan allerlei grondstoffen, o.a. aardolie, dus ook aan producten daarvan als petroleum en benzine. Nadat de bussen nog enige tijd met achterop geplaatste primitieve kachels op houtblokken en misschien briketten gestookt waren en ook deze schaars werden, hadden de G.T.W. hun inmiddels hoog bejaarde stoomtrams weer van stal gehaald, of uit hun bedrijfsmuseum; ook de inmiddels verroeste rails moesten weer dienst doen. Het was elke dag een gok of de trams wel of niet zouden kunnen rijden. Eén van de locomotieven heette "Silvolde" en  is na de oorlog nog lang  in gebruik geweest bij de Veluwse Spoorweg Maatschappij maar is nu een museumstuk.
N.S.B.-ers waren leden van de Nationaal-Socialistische Beweging, een politieke partij in Nederland, die zich ideologisch verwant voelde met - en zich gedroeg als! - de N.S.D.A.P., de National-Sozialistische Deutsche Arbeiter-Partei, Hitlers partij. Ze werden door veel Nederlanders - o.a. door de verklaring van hun leider Anton Mussert, dat zijn volgelingen bij een Duitse aanval op Nederland met gekruiste armen zouden toekijken - als landverraders beschouwd en vreesden na de bevrijding een bloedige afrekening, de z.g. Bijltjesdag, een alleszins begrijpelijke vrees. (HG)
Radio Oranje bericht, dat vanaf vandaag het geallieerde opperbevel terughoudend zal zijn met mededelingen over de voortgang aan het Westelijk front. M.a.w. er gaat van alles gebeuren, maar ”Feind hört mit” en daarom wordt alle berichtgeving die de eigen oorlogvoering kan schaden vermeden.
Het gevolg is, dat de geruchtenmachine op volle toeren gaat draaien, b.v."Breda is bevrijd maar Leiden, Rotterdam en Nijmegen nog niet".
Andere berichten willen, dat de Gealleerden  in Nijmegen zijn (b). Wat we zelf zien is, dat geallieerde vliegers zodra het goed weer is het nog geringe Duitse of door de Duitsers toegelaten grondverkeer onder vuur nemen en de "moffen" in de lucht geleidelijk minder in te brengen hebben. De Nederlandse regering in ballingschap kondigt een  algemene spoorwegstaking aan; vandaag leggen duizenden spoorweg-werkers het werk neer en duiken onder. Zij voegen zich bij de tienduizenden die al eerder om allerlei redenen ondergedoken waren.
(N.B. Voor het financieren van onderduikers wordt al geruime tijd geput uit diverse bronnen. Van katholieke zijde is dat o.a. het Fonds voor Bijzondere Bisschoppelijke Noden. Daarvoor wordt de opbrengst bestemd van een der zondagse collecten in alle katholieke kerken van Nederland.
Een en ander is in het verleden al in bedekte bewoordingen in bisschoppelijke brieven uitgelegd en in alle kerken van de preekstoel voorgelezen, en de bevolking begrijpt het. Ook in de protestantse kerken verzamelt men gelden voor zulke doelen. Voorts moeten voor zo langzamerhand honderdduizenden mensen de onmisbare voedsel- en andere bonnen verzorgd worden, dus nagemaakt, of gekaapt uit de distributiekantoren; daar kunnen zich immers de ondergedokenen niet meer aanmelden als hun bonnen verbruikt zijn. En ook voor dat namaken en kapen is geld nodig - en soms wapens en moed.
Tegen het eind van de oorlog wordt het aantal onderduikers in Nederland op 600.000 geschat; (HG).

- 6 september. Er is nu een uitzonderingtoestand, een soort "Standrecht". Op allerlei handelingen komt de kogel of de strop te staan, kennelijk is de Duitse legerleiding zenuwachtig en het burgerlijk bestuur lijkt uitgeschakeld te zijn, een gevaarlijke situatie dus. In Silvolde zijn de scholen gesloten; de uittocht van NSB-ers gaat maar door.

- 7 september. Ook het Gemeentelijk Lyceum in Doetinchem is stilgelegd; de Duitsers hebben het in beslag genomen voor legering van troepen; misschien is het voor doortrekkende troepen en duurt het maar kort. In Silvolde en omgeving eisen de Duitsers veel paarden op. Heel wat boeren blijven bij hun paarden, in de hoop dat ze ze na volbracht karwei in Duitsland, zullen kunnen behouden. Verder eisen de Duitsers, dat we onze radio's inleveren. Iedereen neemt daarvoor natuurlijk zijn oudste kastje van de zolder. Zo kan onze Mexicaanse hond uit 1930 voortaan de Moffen aanblaffen. We spreken al lang niet meer van Duitsers en hebben het gevoel dat hun Recht und Ordnung bestaan uit terreur en willekeur. En het doel van de Duitse eis tot inlevering, n.l. ons af te knijpen van inlichtingen over de voortgang vaan de geallieerde opmars, zal natuurlijk niet bereikt worden.

- 8 september. De Duitsers eisen nu, dat we ook onze fietsen inleveren, en wel bij kasteel Schuijlenburg. Dat zit ons als fietsend volk erg dwars; het ontneemt ons een groot deel van onze bewegingsmogelijkheden. Ook wordt gepraat over naderende inkwartiering.
Onze buurman, burgemeester Boot, komt even praten. Hij meent dat de toestand voor "goede" burgemeesters onhoudbaar kan gaan worden, b.v. als ze mensen zouden moeten aanwijzen voor verdedigingswerken. In de afgelopen jaren kwam hij soms even langs om wat bij te praten. Hij hield van erwtensoep, maar zijn vrouw niet. Voor mijn Moeder, gewend aan een grote gezinspan, was het geen probleem hem bij gelegenheid een pannetje aan te laten reiken.... Ook Mevrouw Boot, een nicht van "Oom Henk " Colijn, kwam soms gezellig even buurten, bij voorkeur tijdens ons avondmaal.
Maar vanavond was het gesprek in een dreigend nestige sfeer geëindigd.

- 9 september. Geleidelijk keren er NSB-ers terug naar Nederland. Waren ze in Duitsland toch niet zo welkom gebleken? De Geallieerden hebben het afgelopen jaar stap voor stap zo'n grote overmacht in de lucht verworven, dat ze bij goed weer treinen en vrachtauto's vanuit de lucht kunnen mitrailleren.

- 12 september. De Duitsers eisen in Silvolde nu ook de U.L.O.-school op (b).
De gebeurtenissen van 4 en vooral 5 september hebben ons te vroeg doen juichen. De Geallieerden zijn nog niet over de Belgisch-Nederlandse grens. Wel zien we als weerslag van wat er ginds gaande is grote troepentransporten ons dorp passeren, richting Duitsland. Andere trekken via Limburg Duitsland in en komen bij Gendringen terug in Nederland. Inkwartiering langs de hele weg Gendringen-Doetinchem. Ook wij blijven niet verschoond: 1 soldaat en 1 Feldwebel willen onderdak. Groot is hun geloof en vertrouwen op de nog komende nieuwe wapens (b).
In het scheikunde-lokaal in Doetinchem  -  het Lyceum is weer vrijgegeven -  is niet genoeg gasdruk om proeven te kunnen nemen. De leraar gaat daarom over naar een ander onderwerp: "Magnetisme". We hebben er niet erg onze aandacht bij. Weer komt een golf vliegtuigen Oostwaarts over ons heen; is Hamburg weer aan de beurt of zal de formatie nog afzwenken naar het Ruhrgebied? We vinden het allebei prima.

- 13 september. De Feldwebel vertrekt met onbekende bestemming. De school in Doetinchem moet weer ontruimd worden, men zegt nu: voor de Organisation Todt; de naam voorspelt niet veel goeds. Het is een Duitse organisatie die allerlei omvangrijke werken uitvoert met, onder dwang, Nederlandse werkers, slaven dus.
Ik ben bij de groep leerlingen die de hele morgen bezig is met het ontruimen; banken buiten zetten, instrumenten in het scheikunde-lokaal. Met de tram - die rijdt weer eens! - naar huis.
In Varsseveld op het gemeentehuis (Silvolde, Terborg en Varsseveld vormen samen de gemeente Wisch) krijgt buurman Boot van een Duitse Oberst opdracht, 500 mensen aan te wijzen voor werken aan de linie van versterkingen langs de IJssel (of langs de Rijn bij Zevenaar? b). Zo er niet aan voldaan wordt, zullen "de strengste maatregelen" volgen. 's Avonds zou de Oberst het antwoord komen halen. Ik geloof niet, dat dat laatste gebeurd is. Wel komt Mijnheer Boot ons 's avonds zeggen, dat zijn gezin (evenals dat van enige medewerkers bij de gemeente-secretarie) gaat onderduiken, (dus blijkbaar de Duitse opdracht niet zal uitvoeren), en vraagt of wij hun boeken en familie-herinneringen in huis willen nemen. Het is nog een heel gesjouw; de inhoud van de kisten vult de ombouw van mijn Moeders trapnaaimachine tot de nok. Ook bij de familie Pierik, de buren aan de andere kant, wordt huisraad ondergebracht.

- 14 september. 's Morgens vroeg stappen mevr. Boot en Maddy op de tram naar Dieren, terwijl mijnheer Boot eerst nog enkele dingen regelt op het gemeentehuis in Varsseveld en dan per auto van achtereenvolgens 2 artsen, Berkhout en Rien van den Berge (artsen zijn ongeveer de enigen die nog benzine toegewezen krijgen) naar Huizen reist. Wij helpen de vertrouwde boeren Barink en Hammink allerlei spullen van de familie Boot uit het huis in hun grote karren te laden; het harmonium komt bij ons. Te gelijk met dhr. Boot duiken zijn collega's Duval Slothouwer (Doetinchem) en Beaumont (Gendringen) onder. Er wordt op gerekend, dat Nederland over enkele weken bevrijd zal zijn. Wij krijgen nu inkwartiering: een Feldwebel, een Wachtmeister en zijn Ordonnanz. (N.B. Na de oorlog blijkt, dat de familie Pierik de bij haar ondergebrachte boeken e.a. spullen van de familie Boot verbrand heeft uit angst dat ze haar bij een huiszoeking in de ogen van de Duitsers verdacht zouden maken en die Duitsers ook nog op het spoor van de familie Boot zouden brengen. Dat deel van haar bezit is de familie Boot dus kwijtgeraakt. (HG).

- 15 september. Volgens geruchten dreigt nu acuut gevaar; maar wèlk gevaar precies? En wìe precies wordt er bedreigd? Hoe gevaarlijk zou een gedwongen "arbeidsinzet" zijn? Gaat het de Duitsers om de arbeid of om het onder contrôle krijgen van liefst duizenden mannen en jongens? Gezien de geuite bedreiging gaan mijn Vader, broer Louis en ik onderduiken; ik ga eerder weg dan zij en ga naar Steentjes, de botermaker op de zuivelfabriek. Later hoor ik, dat Vader bij Herman Bongers op de Belterman is en Louis bij Harbers. Onze eigen kelder wordt, ondanks de stenen pilaar in het midden met dikke palen versterkt tegen instorten van het plafond door bommen, ingericht om er allemaal te kunnen slapen (7 personen).

   SS-ers steken om 20 uur, als voor de Nederlanders de "spertijd" ingaat, het huis van buurman Boot in brand. Vader gaat vlug naar Koenders, brandmeester, om te waarschuwen en een bijl en extra zaag te halen: de bomen tussen onze huizen moeten weg. Na enige aarzeling belt Koenders dhr. Ingenhousz op; hij mag met de brandweer uitrukken. Tien minuten later kan er gespoten worden (b). Voor vlottere zuurstof-toevoer willen de SS-ers de ramen ingooien, eerst met grof grint, dan met bakstenen, maar dat valt hun niet mee, zelfs het Nederlandse glas gaat in verzet. De brandweer mag niet blussen, alleen ons huis en dat van de andere buren, de familie Pierik, nat houden. Mijn huisgenoten vertrouwen dat laatste blijkbaar niet en brengen veel textielgoed achter in onze tuin op het heuveltje. Uit uitlatingen blijkt, dat de Duitsers over deze brandstichting verschillend denken. De SS-officier zegt: "Für dieses Haus bin ich verantwortlich". Uit de mond van soldaten is te horen: "Man soll sich schämen Deutscher zu sein. Wir bringen Kultur". Dat laatste was ons tot nog toe overigens ontgaan. Na 3 uren gaat de reis weer andersom: de inhoud van de linnenkasten gaat van tuin naar huis. Het burgemeestershuis is leeggebrand, het gevaar voor ons huis is voorbij (b).
(N.B. SS = Schutz-Staffel, een paramilitaire veiligheids-organisatie van de Nazi-machthebbers, die door het oorlogstribunaal in Neurenberg als zodanig tot een misdadige organisatie verklaard is. (HG) .

- 16 september. In ons dorp wordt om 3 uur bij alle huizen op de deur gebonsd (bellen kan niet, de stroom is uitgevallen) (b) en een briefje afgegeven: Alle mannelijke personen van 17-50 jaar moeten zich om 9 uur melden bij het station in Terborg - w.g.Th. Lamers, de nieuwbakken burgemeester. Zullen Louis en ik ons melden of niet? Het dreigement met verdere brandstichting en de verwachting van een snelle afloop van de oorlog doen ons besluiten tot het eerste. Zo niet, dan zouden er nog meer huizen in brand gestoken worden! Arthur de Poortere - afkomstig uit Den Haag, waar hij en zijn familie voor de Atlantik Wall moesten wijken, en in Silvolde op de Lichtenberg neergestreken - en ik zijn om 9 uur ter plekke, maar pas om 14 uur aan de "beurt" voor inschrijving (naar voren dringen leek ons overdreven), en dan vertrekt er geen trein meer.
Opdracht: naar huis gaan en bij eerste bericht terugkomen, met deken en bestek. Ook Louis is teruggekomen. 's Middags thuis zien we dat moffen de fruitbomen in de tuin van de familie Boot plunderen. 's Avonds herinnert een omroeper aan de plicht, ons de volgende dag om 6.30 uur te melden; zo niet, dan zijn er maatregelen van de Sicherheitsdienst te verwachten.

- Zondag 17 september zetten de Geallieerden  de operatie MARKET GARDEN in om aan het noorden van het Westelijk front een doorbraak te forceren. (N.B. Uit latere inlichtingen rijst het onderstaande beeld:
Luchtlandingstroepen worden op vele plaatsen tegelijk neergelaten bij Eindhoven, Nijmegen en Arnhem om in één klap 11 bruggen te bezetten: over kanalen bij Eindhoven (2), de Waal (2), het Maas-Waal-kanaal (4), de Maas (1) en de Rijn (2). Het wordt de omvangrijkste ooit ter wereld uitgevoerde operatie met luchtlandingstroepen; er zijn ca 29.000 parachutisten bij betrokken (7.500 bij Nijmegen, 10.000 bij Arnhem, 11.000 bij Eindhoven), plus de duizenden manschappen van de sleep-, zweef- en beschermende jachtvliegtuigen en nog eens duizenden voor de inleidende luchtbombardementen. (Op de eerste dag  zijn 20.000 manschappen geland en waren er 4.500 vliegtuigen in actie) Te gelijkertijd proberen Engelse grondtroepen - ook daar zijn tienduizenden soldaten bij betrokken - met een snelle opmars vanuit een bruggehoofd bij Neerpelt (ten zuiden van Eindhoven) een corridor in de richting Arnhem te veroveren om de luchttroepen uiterlijk op 20 september te bereiken. Van daaruit zouden de geallieerde legers gezamenlijk oprukken naar het industriële hart van Duitsland, het Ruhrgebied.(HG).
In Silvolde begint de dag rustig. Arthur komt me halen, maar onderweg naar het station komt iemand al terug en zegt dat de trein naar onze "Schanzarbeit" pas 9 uur vertrekt. Dus eerst nog naar de Vroegmis. Daar is geen preek, maar voorlezing van een dodenlijst; niet duidelijk is wat voor doden dat zijn.
Vertrek van de trein wordt uitgesteld; omdat het te onrustig is in de lucht? Inderdaad, in Wehl: Tommies in de lucht! Een uur onderbreking om te wachten in eenmansgaten of wat er ook maar aan dekking is. Geruchten over luchtlandingen op de Veluwe, in die richting zien we het krioelen van de vliegtuigen. Telkens de trein uit en in. In Zevenaar in een school schoppen halen - grote "batsen" - en onze boterham eten. Dan horen we opnieuw "Tommies!" schreeuwen, grijpen onze koffers, rennen naar een schuilkelder vlak bij het station en duiken erin, in een flits ziende dat een tweede trein naast de onze in brand staat, met vlammen en rookwolken zo onvoorstelbaar lang en hoog als ik mijn leven lang nooit meer zou zien - en zeker niet met zoveel voldoening. Munitie of olie? We denken het laatste en hopen tegelijkertijd - het lijkt onredelijk - dat het beton van onze schuilkelder niet te heet zal worden. Ook in de schuilkelder bukken we instinctief maar overbodig telkens als raketten of granaten tegen het beton ketsen. Na afloop van de aanval gaan we snel op weg terug; er vormt zich een groepje. We zijn de eersten van de verzamelde massa-kluwen die terug gaan. We worden terug geroepen maar zetten er stevig de sokken in: Ab Bekker, Berkhof, Arthur de Poortere, Jan Liebrand, Leo Jansen en ik. Langs de spoorlijn naar Doetinchem. Tot Didam mogen we mee op een kar, verder gaat het per pedes Apostolorum. Ergens vragen we om water; de kraan geeft niets, we krijgen daarom karnemelk. We zullen wel niet voor "spertijd" thuis zijn en riskeren de kogel.
(N.B. "Spertijd" noemden wij de tijd dat het ons door de bezettende macht verboden was, buitenshuis te zijn. Lange tijd was dat van 22 - 4 uur, maar in het laatste bezettingsjaar werd er naar plaatselijke omstandigheden variatie in gebracht, meestal verlenging. Tot nu toe was de spertijd in Silvolde van 20-6 uur. (HG).
Bij Wijnbergen: Tommies! Bij de IJsselkade in Doetinchem: Tommies! We duiken onder bomen en struiken, maar hels kabaal maakt ons ineens duidelijk dat we midden in een batterij van naar de Tommies terugschietende Flak terecht gekomen zijn. Op de brug wordt een NSB-meisje in de rug getroffen, ze valt; moffen dreigen ons met geweren dat we niet mogen stilstaan om even te helpen, b.v. haar toch ten minste stervend aan de kant te leggen. Het is schokkend, maar tijd voor verwerken is er niet. Ik zie Wim ter Steeg en ene Hartemink. Even later, bij een stel brandweerlieden, zie ik: Nieuwenhuis, de claviger- amanuensis van het lyceum, en mijn klasgenoot Jan Bijlsma, maar beiden nu dus in het  ongebruikelijk tenue van de brandweer. Het versterkt het gevoel dat de wereld op zijn kop staat. We horen nu pas definitief van de luchtlandingen op de Veluwe, en dat de spertijd in Doetinchem vandaag al om 19 uur ingaat! Van Silvolde weet men het niet. Hoe dan ook, we halen het zo te voet niet op tijd, daarom lenen we wat fietsen en ...rennen maar. Precies om 20 uur kom ik thuis.
Vreemde gewaarwording: mijn eigen Moeder herkent me niet! Het geeft een emotionele schrik. Klopt er nu niets meer in de wereld om je heen?! In een spiegel zie ik ineens, hoe zwart ik ben. Arthur moet nog verder en krijgt de fiets van mijn zuster Diny. Mijn huisgenoten hebben een dag vol geruchten en de lucht vol vliegtuigen meegemaakt (b). Ze zijn bij het wandelen de bij ons ingekwartierde mof tegengekomen. Hij zwaaide .... en is vertrokken (d). Onafgebroken trokken er Duitse wagens voorbij, naar de grens, ook de grijze muizen. Het tweede hoofdstuk van Exodus! (b) Bij ieder luchtalarm staat Tilly, ons dwerg-pinchertje, als eerste bij de kelderdeur, trillend van de zenuwen (d).

- 18 september. De nacht is rustig voorbijgegaan, op het voortdurend gerammel en geratel na van voorbij trekkend gerij. Ook vandaag gaat dit door, met enige tussenpozen. In de namiddag trekken enige stoeten te voet voorbij van de Organisation Todt, gepakt en gezakt (b). Hoe het met Arnhem staat is niet vast te stellen, wel is duidelijk dat er gevochten wordt, dat Renkum in Engelse handen is en dat in Nijmegen enkele gebouwen in brand staan, o.a. de Kunstzijdefabriek (b). In de middag komt er een aanzegging dat ik me morgen melden moet. Bij ons melden zich achtereenvolgens twee officieren voor inkwartiering. Wie het eerst komt, het eerst maalt (b). Van morgen is een mof doodgereden. Hij had de hele nacht het militaire verkeer geregeld en was misschien uitgeput. Hij wordt voorlopig bij Jaartsveld in de voortuin gelegd. Dan weer een ander toneel: twee soldaten komen fietsen vorderen; 3 willen ze er hebben, maar ze "nemen genoegen" met één. Ja, het is totaler Krieg, beweert er een (b). Inleveren op Schuijlenburg; we zullen ze "over 3 dagen terugkrijgen". Men laadt ze op karren, die naar Suderwick gaan, het tweelingdorp in Duitsland, van Dinxperlo, dus dat "terugkrijgen" gelooft ook al niemand. Mijn tweelingzuster Annie vraagt een fiets terug, waar haalt ze het lef vandaan, het lukt ook nog, in het hol van de leeuw. Na enkele uren worden alle fietsen weer vrijgegeven. Eigenmächtiges Handeln? We zullen er morgen een boodschap over te horen krijgen (b)  (zie 19 september).
Er wordt de hele dag intensief gevlogen en geschoten. De tijd is voorbij, dat de Geallieerden hoofdzakelijk de bescherming van de nacht zochten om hun doelen in de door de Duitsers beheerste gebieden aan te vallen en we, nadat het weinige gemotoriseerde dagverkeer opgehouden had, in de stilte over de velden in de verte mensen-stemmen konden horen. Tijdens luchtgevechten klonk dan "Hoi, Hoi, Hoi" wanneer geallieerde vliegtuigen uit de stralen van de zoeklichten ontsnapten en "òòòò" of "boe-boe" als er een geraakt werd en neerstortte. De ergernis van de in de omgeving ingekwartierde Duitsers was voelbaar en dat was te begrijpen: zijn spontane volksuitingen niet de eerlijkste? Maar de duisternis beschermde de roepende mensen! Intussen hebben de machtsverhoudingen zich duidelijk ontplooid naar een verder stadium van de zichtbare oorlog om ons heen.

- 19 september. De boodschap luidt: de Fahrräder waren bestemd om boodschappen te doen. Maar de commandant vond, dat de soldaten ook wel lopen konden (b). Veel overvliegende vliegtuigen vandaag, veel geruchten over gevechten bij Eindhoven, Sittard, Nijmegen, Arnhem en Renkum en er komt fors verkeer aan Duitse tanks en vrachtwagens door, richting Doetinchem. Zeker is, dat onze elektriciteit niet meer uit Nijmegen komt, maar uit Wesel (b).
Geruchten: in Warschau duurt een opstand al 50 dagen en in Roemenië, waar de moffen de olie vandaan halen, zouden Antonescu en zijn broer opgepakt zijn; ze zullen terecht moeten staan. Een paar maal valt hier de elektriciteit uit.

- 20 september. In Silvolde is alles wat we van de Engelse radio horen, dat Aken vandaag voor driekwart verwoest is, dat para's bij Arnhem en Nijmegen bruggehoofden vasthouden en dat grondtroepen naderen.

- 21 september. Er rijden vanavond laat (of is 't al de 22e?) zo'n 15 Duitse tanks door Silvolde; het wegdek raakt aardig kapot. De Duitse radio bericht 's avonds na de gebruikelijke marsmuziek en aanhef: "Das Oberkommando der Wehrmacht gibt bekannt", dasz Nimwegen gefallen ist, in goed Nederlands dus bevrijd. Er is dus om die stad vanaf de luchtlandingen - zie 17 september - 5 dagen gestreden. Wij horen in de verte nog steeds geschut, begrijpen maar niet waarom het nu in onze richting zo langzaam gaat.
Terborg schijnt erg gewichtig te zijn; er wonen nu 3 generaals. Er rijden geen treinen meer naar Zevenaar, voorlopig hoeven mannen en jongens zich niet meer te melden (b). Vader heeft vandaag een brief geschreven naar Ria. Hoe en wanneer die zal aankomen, is nog de vraag. De post gaat immers tegenwoordig per fiets (b).

- 23 september. We zien in Silvolde weer veel Duits autoverkeer naar de grens, wat tanks en in de lucht veel jagers; 4 maal langdurig luchtalarm. Vóór de Paasberg en bij de Terborgse IJssel-brug staat luchtafweer-geschut; het is tijdens de luchtalarms in actie (b). Een Duitse legerstaf zou van kasteel Wisch (Terborg) naar Hoenderlo verplaatst zijn en Arnhem zou nu geheel in Duitse handen zijn.
(N.B. Doordat de luchtlandingen bij Arnhem (Oosterbeek) niet gevolgd zijn door het oversteken van de Rijn bij Arnhem met grondtroepen, mislukt dit Noordelijkste deel van de operatie MARKET GARDEN, blijft het front bij Nijmegen steken en is het noorden van Nederland nog niet bevrijd. Ook is een gebied in Duitsland ten westen van de Rijn nog niet veroverd en de dolksteek naar het Ruhrgebied nog niet uitgevoerd. De frontlijn - in grote lijn langs de Siegfried-linie - loopt nu met een boog van Hagenau in de Elzas tot de Rijn bij Pannerden. (HG)
Bij het drukke rijverkeer zijn heel veel Rode Kruis-wagens die hun oogst (van Arnhem?) naar Duitsland brengen. De hier ingekwartierden brengen hun tijd toch niet geheel in ledigheid door: er wordt behoorlijk gegeten. De vier officieren bij K. verslinden in één maaltijd 32 eieren (b). Ook gaat het gerucht, dat de Geallieerden in Arnhem niet vorderen. Bij ons vormen zich buurten, waarvan de bewoners 's nachts om de beurt de wacht houden. Sommige gezinnen trekken 's nachts het land in, van de grote weg af (b).

- 26 september. In de afgelopen nacht zijn er van de 10.300 man luchtlandingstroepen die over de Rijn afgezet waren, 2.500 teruggenomen naar het Zuiden; de rest is gesneuveld of gevangen gemaakt, op 500 na: die konden die nacht niet meer oversteken doordat het licht werd en zouden dat merendeels in de maanden daarna nog doen. We vernamen dit pas na de oorlog.
We zien vandaag in Silvolde luchtgevechten aan de Westelijke hemel; een vliegtuig stort neer bij Etten; er zijn 3 parachutisten. Het aantal luchtalarms is niet meer bij te houden. Files van militaire wagens rijden van links naar rechts en vice versa. Vliegtuigen vallen links en rechts (b). Nieuwe ramp: de elektriciteit, nu afkomstig uit Wesel, wordt huis aan huis afgesloten, die wordt dus gereserveerd voor militaire afnemers. Voor ons geen licht, geen kracht en omdat ons water elektrisch moet opgepompt worden, ook geen water meer (b). In de avond grote zwermen machines boven Arnhem en Nijmegen. Opnieuw parachutisten? Grote rookwolken boven Arnhem, dat nu geheel evacueren moet. Enkele personen zijn tot hier afgezakt, te voet. Deze ooggetuigen zeggen: de spoorbrug is in geallieerde handen, Royal ligt in puin, ook Musis Sacrum gedeeltelijk (b).

- 27 september. Telkens luchtalarm en veel luchtverkeer en luchtgevechten. Radio Oranje meldt, rijkelijk laat dus, dat de grote doorbraakpoging bij Arnhem nu wel mislukt is. De Zuidkant van Arnhem, langs de Rijn, is verwoest. Den Dolaart spreekt voor de radio een gebed uit.

- 28 september. Na veel blijken van desorganisatie (b) en door het voortdurende schuilen voor de Tommies vertrekken we een uur later dan bedoeld is, om 9 uur, van Markt Terborg per fiets naar Groessen bij Zevenaar. Daar, bij  Loo, staan bij de dijk langs de Nederrijn duizenden mannen en jongens met schoppen aan een fraaie helling te werken of te doen alsof. Je kunt zien, of de toeziende moffen naderbij komen: daar maken de werkers (schijn)bewegingen, zodat een soort golfbeweging nadert. Het verhaal gaat, dat er 12.000 man van Babberich tot Doesburg staan, alles onder de Organisation Todt, het technische verlengstuk van de Wehrmacht dat ook de Atlantik Wall gebouwd heeft en waar sinds de dood van Todt, Albert Speer de scepter zwaait. Wie zal ze tellen? We leven op geruchten, die we thuis nu en dan op een (letterlijk) onbewaakt ogenblik kunnen aanvullen met de schaarse berichten van Radio Oranje (programma "Nederland zàl herrijzen"!).
De Duitsers willen de Siegfried-linie die aan het Noordelijk eind tot Pannerden reikte, na het doorstoten van de Geallieerden naar Nijmegen verder naar het Noorden verlengen langs de Gelderse IJssel. Ik begrijp niet hoe, maar die helling schijnt een "tankwal" te moeten worden. Of gaat het er meer om, zoveel mogelijk Nederlandse mannen onder contrôle te krijgen? Nijmegen is vast in geallieerde handen. Ze hebben in Arnhem ook de brug, maar de stad is nog steeds Duits (b). Thuis is goed te merken, dat we achter het front wonen. Enorm druk rijverkeer. Een hoek van Harbers' huis kan er van getuigen, een tank heeft er z'n kracht op geprobeerd en was helaas sterker dan de hoek. Of Harbers geschrokken was? Nee, hij dacht dat z'n vrouw zich omgooide in het bed. Het dorp zit stampvol auto's. Waar een gaatje is, staat een auto. Engelse vliegers schieten in Ulft enige munitie-wagens aan; die lagen nog uren na te paffen. Ook een locomotief in Terborg wordt doorzeefd. Burgemeester en personeel in Gendringen hebben een duik genomen (b).

- 29 september. Vertrek uit Terborg om 6.30 uur. Onderweg telkens uitkijken. In Etten een boerderij in brand, in Zeddam achter de Julianatoren ook vuur, bij Zevenaar een gebouw en een tank in puin. Hoe dichter bij de Rijn, des te gevaarlijker. Zo zijn we pas om 10.30 uur bij "onze" sector van de dijk, niet ver van het Looveer. De overkant is stap voor stap in geallieerde handen gekomen; zo nu en dan zorgt een inslag er voor, dat we hun niet vergeten. We denken in onze onschuld na de aankomst, dat het tijd voor een eerste werkpauze is en strijken neer op het gras om een deel van de meegebrachte boterhammen tot ons te nemen. Een woedende SS-er springt er als een razende Roland tussen om ons, dreigend met zijn revolver zwaaiend onder gebrul "Gibt's da keine Arbeit mehr?!", zijn arbeidsmoraal bij te brengen. We vliegen overeind. Hij zou nog een half jaar kunnen brullen - als hij niet eerder sneuvelde. Maar ik ben wèl stevig geschrokken en zijn tronie blijft levenslang op mijn netvlies.

- 30 september. Geruchten over plunderen in het geëvacueerde Arnhem. Bij de tankwal stort een Duits vliegtuig neer, zo'n 500 meter van ons af. Gerucht dat 2 Duitse jongens bij hun zelf gegraven graf vermoord worden. Hebben ze misschien niet voor het Vaterland willen sterven, maar leven?
De hele dag door kanongebulder. Arnhem is geheel leeg van mensen die uit de stad verdwijnen moesten, en raakt nu ook leeg van meubelen die door "anderen" uit de huizen gesleept worden. Eén zo'n "ander" loopt in Terborg rond met een verbonden hoofd; hij had n.l. een ruit ingetrapt bij de meubelzaak van Bunker en zal te haastig geweest zijn. Een ander had 5 costuums bij zich, enz.(b).

- 1 oktober. Van onze kant August Rensen en van Duitse kant kameraad Siefert worden aan elkaar voorgesteld. Ze geven elkaar een hand; daarbij knipoogt Rensen nogal mysterieus naar ons.

- 2 oktober. Arthur is ziek en gaat niet mee. Om 8.30 uur de eerste luchtaanval.
Onze Silvoldse Todt-kolonnes, 250 personen (b), komen bij Didam samen met kolonnes uit twee andere richtingen; vanuit de lucht moet er een heel gekrioel te zien zijn. Hoewel we vanwege het goede vliegweer voortdurend bedacht zijn op aanvallen van jagers, is het toch nog onverwacht, als plotseling wordt geschreeuwd: "Tommies" en razend snel duiken er vier al schietende jachtvliegtuigen op ons neer. We vliegen van de fiets af naar al wat maar dekking kan geven. Ik eerst achter een heg op een walletje, zoveel mogelijk plat ineengedoken. Naast me ligt Löwenthal. Ik word eerst geraakt in mijn rechter knie - daar bloedt het als een rund  - en dan in mijn linker arm. De Tommies komen nog een paar keer terug, telkens de bekende slierten van vier achter elkaar zoals we het afgelopen jaar al zo vaak gezien hadden. Als ze weer even optrekken voor de volgende duik, strompel ik een huis binnen, het laatste huis rechts voor de overweg. Op de deur stond de naam Huuskes. Het keldertje ziet er zo bedenkelijk uit, dat ik daar niet in durf en in de gang blijf - en daar langzaam, haast plechtig, in elkaar zak. Door het bloedverlies raak ik buiten westen, in een vage notie dat het met me afgelopen is, een rustgevend gevoel.Als ik, een beetje verwonderd, bijgekomen ben verbindt Huuskes me voorlopig en per brancard beland ik na een tijdje in het Didamse ziekenhuis. Het is dan 11 uur. Er worden steeds meer gewonden binnengebracht; daarbij een groeiend aantal zwaar gewonden. Ik word daarom met een stel andere licht gewonden met paard en wagen naar een ziekenhuis in Doetinchem gestuurd. Ik zit vastgebonden op een stoel, met uitzicht op de brede knol; die is gedrapeerd met een fors rood kruis op een wit laken op zijn rug. Het is 13 uur als onze tocht begint. Het wordt een zonnige tocht weliswaar, maar we moeten wel vaak onder bomen schuilen. Tegen 18 uur aankomst in Doetinchem, in het Katholieke ziekenhuis. Ook daar komen heel wat gewonden uit Didam terecht; op mijn zaal zijn het 3 van de 6 patiënten; 2 komen er uit Terborg en ik dus uit Silvolde. Kort na mijn aankomst meldt zich Vader al aan mijn ziekensponde. Ze hadden thuis ca. 14 uur van de schieterij vernomen (b) en blijkbaar ook dat ik alweer verhuisd was naar Doetinchem.

- 3 oktober. Die dorpen leven wèl mee: we krijgen uit Terborg de pastoor, een kapelaan en een dominee op bezoek. 's Middags wordt een paard ingespannen en weer deugdelijk uitgedost; wij 3 "Todt-ers" van de zaal worden naar het Katholieke ziekenhuis in Terborg gebracht. Om 18 uur komt Arthur langs; hij had pas vanmorgen gehoord van mijn wedervaren gisteren.

- 4 oktober. We horen dat de Engelsen door dijken kapot te gooien Walcheren onder water zetten zodat de Duitsers er weg moeten vluchten.
De haven van Antwerpen is nog altijd niet bruikbaar zolang de Duitsers de Noord-oever van de Wester-Schelde beheersen. Zal dan ook Zuid-Beveland onder water moeten komen? Wat een ellende voor de Zeeuwen! Ook de mensen op deze ziekenzaal praten alleen maar over "de oorlog en niets dan de oorlog" (om de woorden van de Franse regeringsleider Clemenceau uit de vorige Wereldoorlog te gebruiken). Maar we draaien zo zonder nieuwe gegevens nogal in de rondte. 's Morgens komt ook kapelaan Nieuweweme uit Silvolde zijn opwachting maken. Hij weet de aandacht mooi af te leiden - stellen we na afloop tevreden vast. Dan weer nieuwe geruchten; die willen dat Hitler en Göring de troepen bij Pannerden toegesproken zouden hebben - wat een onzin.
Mijn Vader ontmoet Westerveld bij het kruispunt Molen van Grevers; daar vordert een Duits soldaat de fiets van W. Vader met W. naar de Ortskommandantur in Terborg, waar men verzekert dat het Diebstahl is. Verdere pogingen in Varsseveld en Lichtenvoorde leveren helaas niets op. Weg mooie fiets (b). Vader schrijft een brief naar Ria (b).

- 5 oktober. Nu komt ook de Silvoldse pastoor, Ahsmann, op bezoek. En thuis komt er inkwartiering: Felix Zuba (of Zuber? Het verschil is in het Duits moeilijk te horen) en Jansen, twee Feldwebels. 's Avonds willen ze graag in de familiekring worden toegelaten en dat zal de komende maanden zo blijven..

- 6 oktober. President Roosevelt laat weten dat de Duitsers misbruik hebben gemaakt van de bescherming die de Conventies van Genève het Rode Kruis bieden: ze hebben Rode Kruis-wagens misbruikt, o.a. voor het roven van vee. Hij kondigt aan dat de Geallieerden nu het Rode Kruis- teken niet meer zullen respecteren. Een hele stap van Roosevelt, de Geneefse oorlogsverdragen te schenden of ten dele op te zeggen, en het riekt wat naar eigenrichting; neemt Amerika met forse hand de internationale leiding? Nog dezelfde dag verdwijnen alle wagens van het Duitse Rode Kruis van kasteel Schuijlenburg. Louis en Annie gaan er op uit om gevorderde fietsen terug te halen. Na een tocht langs diverse vorderingsplaatsen komen ze met lege handen terug.

- 7 oktober: Ongeveer 14 uur nadert uit de richting Nijmegen een zwerm vliegtuigen als we nog nooit gezien hadden. Een kanonnade van 3 kwartier breekt los boven Emmerik, een mengsel van luchtafweer- en bomgeluiden. Het huis staat letterlijk te schudden. Er ontwikkelen zich rookwolken, een waar rookgordijn. Later schijnt de zon er doorheen, bloedrood. Het "onweer" trekt langzaam in Zuidelijke richting af maar is nog uren daarna hoorbaar. Wolken stof stijgen zó hoog op dat meegevoerde stukken papier, kartonnen dozen, ja ook een Steurzettel uit Emmerik tot op Sinderen (en misschien nog verder) terecht komen. Zo hoog de wolken, hoe diep dan de gaten in de grond? Emmerik en Kleef moeten verdwenen zijn (b). 
In Silvolde is ene Jan Boll nu burgemeester (van de gemeente Wisch); het is een NSB-er. Die Jan is van Gereformeerde huize. Zijn broer Jacques daarentegen zit in de illegaliteit. Oorlog en botsende wereldbeschouwingen brengen ook binnen de gezinnen scheuren te weeg.

Helder weer, massale bombardementen op het Ruhrgebied, Berlijn, Bremen, maar ook vlakbij: Emmerik en Kleef. Er zouden die dag 5.000 vliegtuigen ingeschakeld zijn, de Westelijke geallieerden gaan er kennelijk steeds harder tegenaan.
(N.B. Pas vele jaren later vernemen we, dat de Amerikaanse industrie in dit stadium van de oorlog elke 5 minuten een oorlogsvliegtuig aflevert. (HG).
Er komt een vieze asregen neer en half verbrande papieren, ook bij ons in de tuin, die bij de branden omhoog gezogen waren en verwaaid: o.a. duidelijk leesbare rekeningen. In mijn ziekenhuis moeten de patiënten snel naar beneden, met of zonder bed; de Luchtbescherming helpt. Ik kom met Piet (?) op een trap te zitten. Het luchtalarm wordt niet afgeblazen; er is geen elektriciteit!

- zondag 8 oktober. Bezoek gekregen in het ziekenhuis, van mijn Ouders, mijn zuster Annie en haar vriendin Alie Sterenberg uit Gendringen. Die laatste vertelt dat er vluchtelingen uit Emmerik door Gendringen trekken. Dat zijn dus moffen; we vertrekken bij haar verhaal van de ellende geen spier, en dat hadden de Gendringers ook niet gedaan. We raken gewend aan de oorlog-dichtbij-ons-zelf en aan de tweedeling tussen mensen, teruggebracht tot: vrienden of vijanden, geen nuances meer. Zo geven we b.v. ook eensgezind  van de voortdurende geallieerde beschietingen vanuit de lucht niet de Geallieerden maar de Duitsers de schuld; die begonnen immers in Polen de oorlog en sleepten door de inval van mei 1940 ook Nederland in de ellende.
Dezer dagen is ook Diny een paar keer komen kijken; ze assisteert dokter van Haaften soms bij bezoeken aan patiënten en komt dan even bij me langs.

- 9 oktober. In Gendringen, Ulft, Silvolde, overal komen nu half verbrande papieren uit Emmerik aanwaaien; die stad moet goed geraakt zijn, zeggen we voldaan. Zware tanks en lange rijen vrachtwagens trekken voorbij. Om 14 uur haalt Vader me en gaan we van het ziekenhuis naar huis. Onderweg krijg ik van een zekere S. 20 gulden: een soort vergoeding? S. is "fout" en probeert zich aan weerskanten verdienstelijk te maken.

- 10 oktober. We horen nog eens dat Roosevelt er absoluut zeker van is dat Duitsers Rode Kruis-wagens misbruikt hebben. Had hij kritiek gekregen?
Honderden koeien komen door Terborg, op weg naar Groenlo. Zijn afkomstig uit Wageningen. In Terborg is gratis melk verkrijgbaar (b).

- 11 oktober. Om 11 uur zou een aan de stad Aken gesteld ultimatum verlopen: capituleren of gebombardeerd worden; de burgerbevolking mag een geallieerde ring van versterkingen passeren. 's Middags blijkt hoe de keus uitgevallen is: bommen!
Honderden koeien passeren Silvolde naar de grens, die komen van de Betuwe of Wageningen. En 's nachts komen er duizenden paarden door. Wàs er dan nog wat te plunderen?, vragen we ons af.

- 12 oktober. We horen de hele dag bommen of zwaar geschut. Ook kasteel Schuijlenburg wordt gebombardeerd; ik zie de bommen vallen, de vliegtuigen vliegen laag ongeveer over ons huis naar Schuijlenburg. Daar was Duitse munitie opgeslagen en de Ondergrondse had dat aan de Geallieerden doorgegeven. Maar geruchten willen dat kort ervoor die munitie uit de kelders weggehaald was. Mevrouw Jenny (van de Ulenpas) van Schuijlenburg-de Geer van Boetselaar van Bommenede, die op Schuijlenburg logeerde en die mijn ouders kenden, komt nu bij ons in huis wonen. Haar nicht Margaret (een Engelse) plus zoontje Derk gaan naar de Idink, een van hun boerderijen. Als Jenny's schoonzuster Sonia van Schuijlenburg - Bulitschoff (was vóór de Russische revolutie een prinses of dochter van een grootvorst en generaal) die van Schuijlenburg naar dokter Ris verhuist,  haar geheel overstuur komt opzoeken, troost Jenny haar met de verzekering, dat door het bombardement alle zorgen om het kasteel Schuijlenburg voorbij zijn.(IJdele hoop: zie onder 6 november. HG)
(N.B. Kort na de oorlog, als er een rode golf over Europa komt à la het begin van de Franse Revolutie, zal de Heide-maatschappij kasteel Schuijlenburg afbreken; zij dacht er blijkbaar net zo over. Over historisch erfgoed gesproken..., HG.)
Zuba heeft de afgelopen avonden menigmaal en famille met ons gepraat; hij laat ons weten dat hij naar Duitsland gaat; hij denkt maandag 16 oktober terug te komen.
Ook Kasteel Wisch (bij Terborg) krijgt luchtaanvallen te verduren (d). Jhr. Richard van Schuijlenburg, de vader van Olga (waarmee Arthur en ik wel getennist hebben) en Liesbeth, is gedood en er zijn ook gewonden, waaronder een paar moffen. De oorlog slaat nu ook in onze eigen streek steeds harder toe.
De koeien werden gevolgd door de paarden; misschien passeerden er vannacht wel duizend Silvolde, gaande naar Duitsland (b). Om 10 uur komt een grote zwerm bommenwerpers voorbij, in Oostelijke richting (b). Onze Duitse inwonenden zweren nog bij Hitler en zijn Endsieg. Göring en Göbbels hebben ons dorpje met hun tegenwoordigheid vereerd; Göring logeerde bij Berendhaus, Göbbels op Zonnehuis (b). We krijgen een brief van Ria, verzonden op 1 oktober. Vader schrijft naar Oom Eduard.

- 13 oktober. We horen dat Emmerik (15.000 inwoners?) 4.000 doden telt

- 14 oktober. In het huis van notaris Bijleveld (ons buurhuis, 100 meter in de richting van Silvolde) zou nu een Militärgerichtsamt gevestigd zijn.
Hongarije capituleert. Wat zal er gebeuren met de verdienstelijke admiraal Horthy, die al regent is sinds 1920, toen koning Karel van Habsburg wel door het Hongaarse volk maar niet door de Geallieerden  teruggewenst werd? Generaal Rommel zou dood zijn, geruchten spreken van moord.

- Zondag 15 oktober. Drukte op straat, o.a. wordt weer een lange kudde koeien naar Duitsland gesleept en ook tanks keren "heim".
Moeder kookt nu op een "allesbrander" die Steentjes ons bezorgd heeft. Voor een oorlog die langer dan een Blitzkrieg duurt hebben de Duitsers nu eenmaal niet de vereiste grondstoffen. Aardolie en steenkool raken op, zodat de gas- en elektriciteitsproduktie steeds vaker gaat haperen. Soms stoken we hout, soms briketten, soms steenkool. Het is een laag model kacheltje (d).

- 16 oktober. Druk tankverkeer naar Duitsland. 's Middags is de begrafenisdienst voor Jhr. Richard van Schuijlenburg. Hij wordt volgens de traditie vervoerd op een handkar, voortbewogen door eigen pachters en ander personeel.Olga heeft nog verband om haar hoofd.

- 17 oktober. Weer veel verkeer. De Landwacht haalt turf en kolen weg uit het huis van Boot. We zitten overdag zonder gas en electra; om 18 uur floept ineens het licht aan.
(N.B. De Landwacht was in bezet Nederland een corps binnen de Waffen-SS - voor SS, zie bij 15 september - dat uit Nederlandse vrijwilligers bestond. Opgericht op 11 maart 1943, kreeg spoedig de naam Landstorm Nederland. De opzet was, ze in te zetten tegen een geallieerde invasie. Daarnaast werd op 13 november 1943 de Nederlandse Landwacht opgericht. Die bestreed de verzetsbeweging en heeft een ware terreur uitgeoefend - aldus Nijhoffs Geschiedenis Lexicon. HG).

- 18 oktober. Aanplakbiljetten: op vrijdag a.s. (overmorgen) moeten we weer fietsen inleveren en 150 personen aanwijzen voor werk. Besselink en Böhmer brengen op een kar spullen voor mevr. Van Schuijlenburg. Nadat ze die aan mij voorgesteld heeft zegt Böhmer, naar haar wijzend: ”En dàt is onze Landsvrouwe!”
"Onze" Feldwebel Jansen geeft toe, ook in Duitsland kan men eigenlijk niet goed katholiek zijn en tegelijk Nationaal-Socialist. Zou hij dat durven zeggen omdat Zuba er vandaag niet bij is? Jansen gaat 's avonds naar zijn bureau en blijft de hele nacht weg.

- 19 oktober. Mevr. Jenny van Schuijlenburg heeft zich naar haar zin geïnstalleerd in de leskamer (b). Volgens mevr. Sonja overleggen dokter, pastoor en dominees over het opvangen van de gevolgen als iemand evacuatie beveelt. 's Avonds keert Zuba terug (i.p.v. maandag 16 oktober j.l.). We begrijpen dat hij Kassel, Wiesbaden en Düsseldorf, waar zijn schoonouders wonen (of woonden?) bezocht heeft, vermoedelijk een soort verlof om familie in gebombardeerde steden te helpen? Hij zegt niet veel; is het goed raak geweest? Op Vader wordt van gemeente-wege een beroep gedaan. Hij krijgt er een functie bij: begeleid door politieagent Roosen bij de mensen de houtvoorraad opnemen en de nieuwe rantsoenen vaststellen. Daarna verstrekt de gemeente per gezin 1 m3 hout à f 30 (b).
We verbergen ons zilver.

- 20 oktober. Brief van mijn oudste zuster Ria uit Nieuw Schoonebeek, gedateerd 11 oktober! Daar is de toestand ook ernstig: iedereen moet graven, zelfs de brandweermensen, de scholen zijn gevorderd, men heeft veel inkwartiering.
Böhmer brengt een paar kastjes voor mevr. Van Schuijlenburg en een flinke portie houtblokken uit haar bossen rondom de Ulenpas. Wijzelf gebruiken ruimhartig van de voor de Duitsers geleverde kolen; er hebben in ons huis nog nooit zoveel kachels tegelijk gebrand als nu: 4.
Volgens soldatenblad "Front und Heimat" zou Erwin "Rommel Afrikanus" op 13 september overleden zijn aan verwondingen, opgelopen op 17 juli. Ik kijk nog eens verder in dat blad. Zouden de Duitse soldaten waar dit voor geschreven is, dat geloven? En in Duitsland meldde zich de lichting 1928 (er gaat een schok door me heen: 2 jaar jònger dan ik!) voor 70 % "vrijwillig" voor de dienst; daarvan zijn wel 20 à 30 nieuwe divisies te vormen. Dat lijkt geen luxe; in Riga is een "bruggehoofd ontruimd" (dat is een eufemisme voor teruggedrongen zijn), verder wordt strijd gemeld in Belgrado en Finland, dus aan diverse kanten beuken de Geallieerden gaten in Hitlers Reich. Maar een zeeslag bij Formosa heeft Japan natuurlijk gewonnen! Als je jarenlang beperkt wordt tot dergelijke lectuur mòet je wel een krom wereldbeeld krijgen. Hoe kan dat ooit goedkomen?
Alle herenfietsen worden gevorderd. Maar onmiddellijk daarna komt het bevel dat het vorderen wordt stopgezet. Burgemeester Boll en de Ortskommandant schijnen geen vrienden (b). Precies om 12 uur begint versterkt attillerie-gedreun (b).

- 21 oktober. Mijnheer Geerling, de muziekleraar uit Gendringen, is geweest. Vertelt dat 500 (?) evacué's uit Gennep via Rees, waar ze door de Duitsers voor Maagdenburg bestemd werden, toch maar afzwenkten naar Gendringen en daar geweldig onthaald zijn. Gemeentehuis laat weten dat ook Roermond er aan komt. Die van Gennep zijn vandaag per tram doorgegaan naar Zutphen.
Uit Holland trekken Duitsers weg; in Amsterdam en op Schiphol blazen ze installaties op. Bij Arnhem is men opgehouden aan een verdedigingslinie voor Duitsland zelf. Zuba vertrekt naar Wiesbaden; denkt 5 november terug te komen. Er komen in Silvolde 150 evacué's aan; men brengt ze onder in de katholieke meisjesschool. We horen dat gisteren de bezetting van (de puinhopen van) Aken voltooid is. Eindelijk krijgen de moffen nu hun streken thuis, op eigen grondgebied! De Amerikanen zullen ze niet als poesjes behandelen. Er komen nu vele honderden Nederlandse vluchtelingen door, uit Millingen, Leuth en Bemmel. Blijkbaar verschuift het front daarheen of wordt er al gevochten. Ook honderden komen via Etten Terborg binnen rijden of lopen en gaan de Dinxperloseweg op (b). Onder de vele artikelen die "men" uit Arnhem haalde is een apothekers-inventaris en gelost in Gaanderen.. Toen kwam er wat beters en … de apothekerszaken werden aan kinderen rondgedeeld. Een vrouw verzamelt ze zo goed mogelijk. En dokter Van Haaften werd er gelukkig mee gemaakt. Zo kwam het riskante spul nog in goede handen (b).

- Zondag 22 oktober. Familie Van Ophuizen op bezoek, kennissen van mijn ouders nog uit hun Millingse jaren, 1920-23. Een ongedacht weerzien. Ze zijn vrijdag 20 oktober uit Millingen vertrokken, hebben in Hüthem overnacht en zijn nu op de boerderij van Theunissen (De Theunissens zijn, geloof ik,  zelf in de jaren twintig uit de buurt van Nijmegen naar Silvolde gekomen. Met Wim en/of Bernard heb ik op de Lagere School in de klas gezeten.) Trein vol met in Arnhem gestolen goederen ("Liebesgaben aus Holland" staat er aangeplakt! Je kunt alles blijkbaar van twee kanten zien, maar déze Liebe kwam toch maar van één kant) wordt bij Gosselink (Haltese Bos) beschoten; locomotief valt uit, trein blijft staan.